L’Homme n’est malheureux que parce qu’il méconnaît la Nature.
d’Holbach, Préface au Système de la Nature

Op zoek naar Baron d’Holbach - A la recherche du Baron d’Holbach

Inleiding

alsacem.jpg

Paul Thiry (1723-1789), beter bekend als Baron d’Holbach heeft een groot aantal werken nagelaten, waaronder zijn beroemde “Système de la Nature” het meest bekende is.

Hierbij komen nog een 500-tal artikelen die hij als medewerker van de Encyclopédie, een monumentaal werk dat onder de leiding van de Franse schrijver Denis Diderot in 1750 werd ondernomen, uit het Duits heeft vertaald. Paul Thiry was immers een Duitser van geboorte, die op jeugdige leeftijd naar Frankrijk was gekomen. Daar vervoegde hij zijn oom Franciscus Adam d'Holbach (1680-1753), die ettelijke jaren voordien al naar Frankrijk was uitgeweken en er in 1722 voor zijn verdienste aan het land in de adelstand verheven. Paul Thiry zou later zijn titel en een groot gedeelte van zijn bezittingen erven.

Vanaf dat ogenblik spreken we alleen nog maar van Paul Thiry d'Holbach. Het is misschien erg vreemd dat we zo weinig weten over het persoonlijke leven van de baron, die nochtans een spilfiguur is geweest uit de periode van de Verlichting. De reden moet gezocht worden in zijn clandestien gevoerd mecenaat, dat er bijvoorbeeld in bestond de werken van verlichte filosofen van zijn tijd op zijn kosten uit te geven. In 1753 had hij ook nog van zijn schoonvader, Nicolas d'Aisne, de sinecure van "conseiller-secrétaire du roi" verworven. Dat alles maakte hem natuurlijk zeer welvarend (de schrijver Jean-Jacques Rousseau noemde hem verbitterd trop riche), doch hij kon het zich niet veroorloven zijn steun aan de rebelse schrijvers aan de grote klok te hangen. Vanzelfsprekend gold die geheimdoenerij ook zijn eigen werk, dat militant atheïstisch getint was en daardoor uiteraard geen genade vond in de ogen van de priesterklasse en de machthebbers. Het mecenaat beperkte zich echter niet tot hulp aan schrijvers, maar bestond vooral uit het openstellen van zijn woning voor eenieder die een bijdrage zou kunnen betekenen tot de "vervolmaking" van de mensheid. Men noemde hem dan ook de maître d'hotel van de Franse filosofie. Die clandestiniteit die hij zichzelf heeft moeten opleggen, om zo ongestraft zijn filosofische vrienden te helpen, heeft er natuurlijk toe geleid dat hijzelf niet op het voorplan kon en mocht treden. We stellen ons hier tot doel om een compilatie op te stellen van al hetgeen we in de literatuur over de baron kunnen vinden en dat er zou kunnen toe bijdragen hem beter te leren kennen.

De Holbach Familie

Aan het begin van het geslacht Holbach staat een zekere Johannes Jacobus Holbach. Zijn geboortedatum is ons niet bekend maar we kennen wel de plaats waar en het jaar waarin hij gestorven is (Edesheim,1723). Van beroep was hij tolgaarder (bishöflicher Zoller). Uit zijn (eerste) huwelijk had hij drie kinderen:

  1. Franciscus Adam Holbach (1680-1753), die in 1722 tot baron werd verheven.
  2. Margarita Holbach (levensdata niet bekend), die in 1705 met een zekere Westerberg huwde.
  3. Jacobaea Holbach (1684-1730), die met Johannes Jacobus Thiry (1672-1756) uit Edesheim huwde. Zij hadden een zoon: Paulus Heinrich Thiry (Edesheim-1723, Parijs-1789).
edesheim.jpg
Het wapen van de stad Edesheim

Edesheim is een klein stadje (2422 p.) dat gelegen is op de oostelijke helling van het Hardt-gebergte. Het bevindt zich op een enkele km ten Noorden van de stad Landau. Het wapen van de stad toont ons (de heilige) Petrus, de beschermheilige van Edesheim. De stad maakt deel uit van het bisdom Speyer, een bakermat van het katholicisme. Holbach werd trouwens, naar de gewoonte van het land, katholiek gedoopt. Niemand zou daaraan twijfelen, ook niet de ouders van Paul-Henri, maar wie had kunnen vermoeden dat de boreling van toen tot één der meest fervente strijders tegen de godsdienst in het algemeen en het christendom in het bijzonder zou uitgroeien. Als de Holbach's al lang uit het gebied verdwenen waren, werd er in 1820 een Edesheimer geboren die het tot kardinaal zou brengen, en die door zijn gedrevenheid het gebied nog voor vele jaren tegen het "heidendom" zou beschermen. De (enige) dochter van Margarita Holbach, Suzanna (levensdata niet bekend), huwde met Jean Baptiste Nicolas d'Aisne (gestorven te Parijs in 1755), die raadsgevolgmachtigde (syndic) werd in 1728 bij de "Compagnie des conseillers-secrétaires du roi. Hij was tevens extern lid van de “Academie voor Wetenschapen en Literatuur” in Pruisen. Zij hadden drie kinderen :

  1. Marius Jean-Baptiste Nicolas d'Aisne (geboren omstreeks 1730)
  2. Basile-Geneviève Susanne d'Aisne (gestorven te Parijs in 1754) en eerste vrouw van Paul Thiry d'Holbach.
  3. Charlotte Susanne d'Aisne (1734-1814) en tweede vrouw van Paul Thiry d'Holbach.

d'Holbach huwde dus achtereenvolgens zijn eerste nicht, die vroegtijdig stierf (1754), en enkele jaren nadien zijn tweede nicht. Uit zijn eerste huwelijk werd een zoon geboren waarvan verder niets bekend is. Uit zijn tweede huwelijk werden drie kinderen geboren:

  1. Charles Marius (geboren in Augustus 1757)
  2. Zijn tweelingsdochters Amélie Suzanne en Laure Pauline (geboren in Januari 1760).

De beroemde Franse schrijver Denis Diderot gaf ons een beeld van de baron in zijn talrijke brieven aan Sophie Volland waarin hij over de gebeurtenissen berichtte die zich in de residentie van de baron te Parijs of op het kasteel van zijn schoonmoeder (Grandval te Sucy, aan de Marne) afspeelden. W. H. Wickwar in zijn "Baron d'Holbach; A Prelude to the French Revolution" vat het als volgt samen:

"De inleiding tot het levensverhaal en het werk van de baron werd reeds lang geleden geschreven door Denis Diderot, als die in zijn liefdesbrieven aan zijn vriendin de baron in levendige kleuren schilderde; hoe die met iedereen redetwistte, spotte met de lichtgelovigheid van zijn pastoor, zijn schoonmoeder (Suzanne d'Aisne) plaagde, ongegeneerd in morgenrok las, languit op zijn sofa rustte of gemoedelijk een pijp rookte. Maar ook hoe hij in zijn park rondliep of na een overvloedig eetmaal urenlange wandelingen maakte over de heuvels langs de Marne, om nadien een partijtje slechte cricket te spelen, en het spel met de glimlach verloor. En tenslotte, hoe hij als laatste de filosofisch gesprekken noodgedwongen zelf moest beëindigen, omdat iedereen al slaapdronken was, en hoe hij dan weer als eerste 's morgens zijn kop thee dronk."

Uit deze brieven vernemen we ook dat d'Holbach de trouwe vriend was, die Diderot in bescherming nam als deze van koningswege geen toelating meer bekwam om zijn levenswerk "L’Encyclopédie" uit te geven, en die genoeg filosoof was om hem geestelijk en enthousiast bij te staan; iets wat zijn geliefde vriend de literator Melchior Grimm door zijn afwezigheid niet kon, en iets wat de beroemde Franse wiskundige d'Alembert, eveneens een medewerker aan de Encyclopédie, uit schrik voor de gevolgen van de koninklijke weigering, niet durfde. Als Diderot de baron opnieuw zou moeten beschrijven zoals hij dat deed aan Sophie, dan zou hij hem zeker typeren als iemand die slechts twee soorten van mensen kende, de helpende en de onverschillige, de naar waarheid zoekende en de geestelijk afgestompte. Maar Diderot zou ons ook kunnen herinneren aan de woorden van de baron bij het diep betreurde verlies van zijn eerste vrouw: "Waarom dit smartelijk verlies beschouwen als het einde van alle geluk in het leven, als men bemiddeld is, en er zovele ongelukkigen op de wereld zijn die men zou kunnen helpen." Tenslotte schrijft Diderot aan Sophie: "Vaarwel Sophie, denk het allerbeste over mijn baron. Als je hem zou ontmoeten dan zou je wel eens te veel van hem kunnen gaan houden."

Holbach's jeugd en studiejaren

Gedurende de vele eeuwen die volgden op het uiteenvallen van het "Heilige Roomse Rijk" en de heropbouw van het (tweede) Duitse Rijk (1871, Vrede van Frankfurt) door Otto von Bismarck (1815-1898) stond het gebied ten westen van de Rijn onder de invloedssfeer van twee kulturen, waarbij de Franse kultuur er de overhand had op de Duitse, in ieder geval wat het leven in de steden betrof. Lodewijk de Veertiende had er immers alles voor over gehad om zijn heerschappij uit te strekken tot aan Duitslands grote stroom, en liefst nog verder. De Elzas werd Frans grondgebied, maar het zogenaamde "Rheinland-Pfalz" (Palatinaat) heeft hij nooit bij Frankrijk kunnen inlijven. Dat falen werd gedeeltelijk goedgemaakt doordat hij rechtsbevoegdheid verwierf over de stad Landau, die tot vestingstad werd uitgebouwd door de Franse bouwmeester Vauban. Tot op de dag van de nederlaag van Napoleon (1815) zou Landau een eiland van Franse invloed blijven in het Palatinaat.

De oom van Holbach had niet alleen eigendom in Edesheim en Frankrijk, maar bezat ook nog landgoederen in de nabijheid van Maastricht (Heese), in het bisschoppelijk prinsdom van Luik en in de Duitse staat Westfalen. Omstreeks het tijdstip dat Holbach universitaire studies begon werd Europa geteisterd door een reeks van oorlogen (o.a. de Oostenrijkse successie-oorlog). Het was daarom handig voor hem, tijdens de vacanties, op het landgoed in Westfalen te verblijven, om nadien zonder veel moeite de Hollandse grens over te steken om zijn studies aan de Universiteit van Leiden weer op te nemen.

Een oud student Leiden, de Chevalier de Jaucourt, een zwitsers hugenoot (protestant) sprak met veel lof over deze universiteit: "Het is de eerste en allerbeste plaats in Europa waar men kan studeren in een sfeer van universeel respect voor de studie". De Jaucourt zou later een begeesterd medewerker worden aan Diderot's Encyclopédie. Jonge mensen uit vele landen van Europa kwamen daar terecht om hun studies te doen. Zo ook dus Holbach die zich door vele latere beroemheden omringd zag zoals de dichter Akenside (1730-1800), waarvan Holbach zijn "Pleasures of the Imagination" naar het Frans zou vertalen, en John Wilkes waarmee hij een levenslange vriendschap sloot. Een brief van Holbach in augustus 1746 naar Wilkes doet ons denken aan het beroemde gedicht van Guido Gezelle "Die Avond en die Roze" want Holbach schrijft hierin: “Those deligthful evening walks at Leyden” en “I need not tell you the sorrow our parting gave me”, in het "beste" Engels dat Holbach op dat ogenblik machtig was. In een tweede brief aan Wilkes (december 1746) wordt de sluier over het karakter van de baron nog een beetje meer opgelicht :

“Ik ben hier een aantal weken gebleven (Holbach had in het najaar van 1746 de Engelse studenten op het landgoed te Heese uitgenodigd). Nadien ben ik naar Duitsland vertrokken maar de onverwachtte dood van de beheerder van het landgoed van mijn oom verplichtte me naar Heese terug te keren om aldaar de zaken op orde te stellen. Ik weet niet hoe lang ik hier zal moeten blijven. Ondertussen amuseer ik me goddelijk met jagen, vissen en wandelen-- zonder echter ooit de beminnelijke gesprekken met Horatius, Vergilius en Homeros, en al onze andere vrienden uit de Elysische velden, opzij te leggen; ze blijven me altijd trouw. Zonder hun hulp zou ik niet weten wat met de tijd te doen. Maar het meest mis ik in dit land een boezemvriend zoals mijn beste Wilkes, om met hem van gedachten te wisselen.”

Na het einde van de oorlog keerde Holbach terug naar Parijs en in augustus 1749 was hij al genaturalizeerd en zou voor zijn gehele verdere leven een trouw onderdaan blijven van de Franse kroon.

Eric W. Elst.

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2002 Nr 1