Kortom, u moet toegeven dat dit religieus systeem enkel het chaotisch product product is van antiek bijgeloof, ontstaan uit Oosters fanatisme en gewijzigd naargelang de omstandigheden, de tijden, de belangen, de grillen en de vooroordelen van diegenen die zich uitgegeven hebben voor bezielden, Gods gezanten en de tolken van zijn wensen.
Baron d'Holbach - Voorwoord van het Christendom Ontsluiterd

Het Christendom Ontsluiterd – d’Holbach – Nederlandse vertaling : Carlos Devriese

devriese02.jpg
Carlos Devriese

flag_nl.png   Carlos Devriese (1926) studeerde aan de Rijksnormaalschool te Gent en heeft veel jaren in het onderwijs gestaan. Redactielid van meerdere literaire verenigingen houdt hij zich thans bezig met vertaalwerk –vertaling van diverse werken van Holbach–, maar uiteindelijk voelt hij zich hoofdzakelijk aforist : “Het is normaal dat volgelingen van woestijngoden de wereld in een woestijn willen veranderen”.

           Inleiding

De vertaling naar het Nederlands van “Le Christianisme dévoilé” is het werk van Carlos Devriese. Tot hiertoe werden het voorwoord en vier van de zestien hoofdstukken vertaald. De vertaling is dus uiteraard nog niet beëindigd. Voor diegenen die beide talen beheersen verwijzen we naar onze originele tekst.

Zoals op de contactpagina werd vermeld is de vertaling eigendom van de vertaler, zoals trouwens het merendeel van de hedendaagse teksten op onze WEBpagina.

De betreffende vertaling verscheen tevens in ons tijdschrift, tussen april 2004 en maart 2006. Referenties worden in de lijst hieronder vermeld. Op het einde van elke vertaling vindt u twee http-verwijzingen, één naar de betreffende vertaling en een andere naar de inhoudstafel van de originele Petit Cuistre.

flag_fr.png   Carlos Devriese (1926) a étudié à l’École normale de Gand et a passé beaucoup d’années dans l’enseignement. Membre de la rédaction de plusieurs associations littéraires, il se consacre maintenant à la traduction –notamment celle de plusieurs œuvres de Holbach– mais, au fond, se voit-il plutôt en aphoriste : “Il est normal que les adeptes des dieux du désert veuillent changer le monde en un désert.”

   Introduction

Cette traduction en Néerlandais du “Christianisme dévoilé” est l’œuvre de Carlos Devriese. Elle est toujours en cours, la préface et quatre chapitres sont traduits sur les seize que compte l’ouvrage. Ceux et celles qui maîtrisent les deux langues se référeront à notre version originale.

Ainsi que mentionné en page Contact, la présente traduction est la propriété de son auteur, comme la plupart des textes contemporains de ce site.

Elle est parue en version papier dans notre périodique entre avril 2004 et mars 2006. Les références sont précisées, pour chaque partie, dans la liste ci-dessous. Vous trouverez, à la fin de chacune d’elles, deux liens renvoyant soit à cette liste, soit à la table des matières du Petit Cuistre d’origine.

Table des matières – Inhoudstafel

Voorwoord

Brief van de auteur aan de Heer …

Mijnheer,

Ik ben u dank verschuldigd voor de opmerkingen die u mij toestuurt omtrent mijn werk. Ik ben gevoelig voor de lof die u mij toezwaait en daar ik de waarheid boven alles stel ben ik niet geschokt door de vrijpostigheid waarmee u uw opmerkingen voorstelt. Ik vind ze belangrijk genoeg om mijn aandacht te weerhouden. Het zou een triestige filosoof zijn die de moed niet heeft zijn meningen tegengesproken te horen. Wij zijn geen theologen, onze geschillen zijn van een aard om op een vriendschappelijke manier beslecht te worden; ze mogen in niets gelijken op deze van de apostelen van het bijgeloof, die er alleen op uit zijn mekaar te verrassen met bedrieglijke argumenten en die, ten koste van eerlijkheid, enkel bekvechten ter verdediging van hun eigen ijdelheid en hun koppigheid. Wij willen allebei het goede voor de menselijke soort.We zoeken de waarheid. Dit gesteld zijnde, kunnen we zeker tot een akkoord komen.

U geeft toe dat het noodzakelijk is de religie te onderzoeken en haar gedachtegoed te onderwerpen aan het tribunaal van de rede; u ziet in dat het christendom dit onderzoek niet zonder schade kan doorstaan. In het licht van het gezond verstand kan het maar overkomen als een weefsel van absurditeiten, onsamenhangende fabels, onzinnige dogma's, kinderachtige ceremonies en ideeën ontleend aan Chaldeeërs, Egyptenaren, Feniciërs, Grieken en Romeinen.

Kortom, u moet toegeven dat dit religieus systeem enkel het chaotisch product product is van antiek bijgeloof, ontstaan uit Oosters fanatisme en gewijzigd naargelang de omstandigheden, de tijden, de belangen, de grillen en de vooroordelen van diegenen die zich uitgegeven hebben voor bezielden, Gods gezanten en de tolken van zijn wensen.

U beeft bij de gruweldaden van de christelijke onverdraagzaamheid wanneer christenen aan de macht waren; u aanvaardt dat een religie die gevestigd werd op het gezag van een bloeddorstige God, niets anders kan zijn dan een bloeddorstige religie. U beklaagt zich over de krankzinnigheid, die zich van kindsaf aan meester maakt van de geest van prinsen en volkeren en hen onderwerpt aan bijgeloof en priesters, hen daardoor belet hun werkelijke belangen te leren kennen, hen doof maakt voor de rede, hen afwendt van de objecten die hun aandacht zouden moeten weerhouden. U erkent, dat een religie, gevestigd op enthousiasme en bedrog, geen ware beginselen kan bevatten en een eeuwige bron van twist is, die altijd moet leiden tot onrust, vervolgingen en verwoestingen; voornamelijk wanneer de politieke macht zich mee mengt in de geschillen. Tenslotte moet u toegeven, dat een goed christen, die letterlijk de geboden van het evangelie volgt, dat hem als het meest volmaakte wordt voorgeschreven, daardoor in deze wereld geen van de beginselen kent waarop de ware moraal moet gevestigd zijn en enkel een nutteloze misantroop is als hij weinig krachtdadig is, of een losgeslagen fanaticus, als zijn geest verhit is.

Hoe kunt u, na deze bekentenissen, nog volhouden dat mijn werk gevaarlijk is ? U zegt zelf dat de wijze voor zichzelf denkt, maar dat het volk een religie behoeft, goed of slecht : dat die een noodzakelijke rem is voor simpele en grove geesten, die zonder haar geen reden zouden hebben om zich van misdaad en ondeugd te onthouden. U oordeelt dat de hervorming van religieuze vooroordelen onmogelijk is. De prinsen, de enigen die dat zouden kunnen mogelijk maken, zijn te veel geïnteresseerd om hun onderdanen in een staat van verblinding te houden, omwille van de vele voordelen die daarmee zijn verbonden.

Ziedaar, als ik mij niet vergis, de belangrijkste opmerkingen die u gemaakt hebt. Ik ga ze nu proberen te weerleggen.

Vooreerst geloof ik niet, dat een boek voor een volk gevaarlijk kan zijn. Het volk leest al even min als het denkt; het heeft er noch de tijd voor, noch het vermogen. Anderzijds is het niet de religie, maar de wet die de man uit het volk van misdaad weerhoudt; wanneer een waanzinnige hem er toe zou aanzetten te stelen of te moorden, dan is de galg er om hem te waarschuwen dat niet te doen. Zou er zich onder het volk een man bevinden die in staat is een filosofisch werk te lezen, dan is die doorgaans niet te vrezen voor schurkerij. Boeken zijn bestemd voor dat deel van de gemeenschap dat door omstandigheden, opvoeding en gevoelens, boven de misdaad staat. Het verlicht gedeelte in een gemeenschap leest en beoordeelt de werken. Wanneer de geschriften verkeerde of gevaarlijke stelregels zouden bevatten, dan worden die tot de vergetelheid veroordeeld of aan de publieke afschuw overgelaten. Wanneer boeken waarheden verkondigen dan houden die zeker geen gevaar in voor de mensheid. Het zijn fanatici, priesters en onwetenden die de revolutie maken. Een verlicht persoon, die zijn persoonlijke belangen opzij kan zetten is altijd een vriend van vrede en redelijkheid.

U mijnheer, behoort niet tot de groep van kleinmoedige filosofen, die geloven dat de waarheid schadelijk kan zijn. Zij schaadt alleen diegenen die er belang bij hebben andere mensen te bedriegen; maar zij is nuttig voor de rest van de mensheid. Alles moet u er al lang van overtuigd hebben, dat het kwade, waardoor onze soort geteisterd wordt, alleen uit onze vergissingen voortkomt, uit onze verkeerd begrepen belangen, uit onze vooroordelen, uit het feit dat we bepaalde objecten verkeerdelijk met elkaar in verband brengen. Wanneer men echter in zijn geest nog alles op een rijtje heeft dan is het gemakkelijk in te zien, dat vooral de religieuze vooroordelen de politiek en de moraal hebben ontaard. Is het niet, als gevolg van religieuze en bovennatuurlijke ideeën, dat vorsten als goden werden vereerd ?

Religie bewerkte het ontstaan van despoten en tirannen die slechte wetten opstelden. Hun voorbeeld leidde tot ontaarding van het volk dat in slavernij verdrukt zichzelf schade berokkende om de machthebbers te behagen en om zo eventueel uit de ellende te geraken.

Koningen werden afbeeldingen van God genoemd. Ze werden gelijk aan het Opperwezen, ze opteerden voor rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid; hun wil heiligde onderdrukking, geweld en verkrachting en door laaghartigheid, ondeugd en misdaad kon men in hun gunst geraken. Op die wijze hebben de naties zich gevuld met perverse burgers, die, onder het religieuze bewind van hun ontaarde leiders, voortdurend een open of een verborgen strijd voerden en geen enkele reden hadden om deugdzaam te leven.

Wat is het effect van de religie in dergelijke samenlevingen ? Hebben haar afschrikkingen en verre beloften ooit de mens belet zich over te geven aan zijn passie of hem weerhouden zijn geluk te zoeken via de gemakkelijkste weg ? Heeft de religie invloed gehad op het zedelijke gedrag van de heersers die hun macht aan haar te danken hadden ? Zien we niet dat de meest godsvruchtige prinsen telkens weer opnieuw ongerechte oorlogen ondernemen en nutteloos het bloed en de bezittingen van hun onderdanen verkwisten ? Zien we ze niet het brood uit de handen van de armen rukken om de schatten van de onverzadigbare rijken te vergroten en diefstal, afpersing en allerlei onrechtvaardigheden toe te laten of zelfs te bevelen ? Maakt deze religie, die zoveel heersers als de steun van hun troon beschouwen, hen menselijker, meer geordend, gematigder, kuiser en trouwer aan hun beloften ? Helaas, van zodra we ook maar enigszins de geschiedenis raadplegen ontmoeten we orthodoxe heersers, ijverig en nauwgezet godsdienstig maar die tegelijkertijd meinedigen zijn, overweldigers, overspeligen, dieven, moordenaars, mensen die zich eigenlijk gedragen alsof ze helemaal geen schrik hadden van de god die ze met de mond eerden. Bij de hovelingen die hen omringen, merken we een voortdurend mengsel van christendom en misdaad, devotie en onrecht, geloof en knevelarij, godsdienst en verraad. Zien we onder de priesters van de arme en gekruisigde God, die hun bestaan op zijn religie vestigen en die beweren dat er zonder haar geen moraal kan zijn, zien we daar niet hoogmoed heersen, gierigheid, wulpsheid en een geest van heerszucht en wraak ? Hebben hun voortdurende en steeds herhaalde preken in al die eeuwen enige invloed gehad op de zeden van de naties ? En als iemand zich d1an toch bekeert is dat dan wel echt nuttig ? Veranderen ze de harten van de mensen die naar hen luisteren ? Theologen moeten toegeven dat bekeringen zeer zeldzaam zijn; ze leven nog altijd in het bezinksel van de eeuwen. De perversiteit van de mensen neemt nog iedere dag toe. Telkens opnieuw varen de priesters uit tegen ondeugd en misdaad. Maar misdaad en ondeugd zijn een gevolg van gewoonte en worden dikwijls door de regering zelf aangemoedigd. Men wordt er voor bewonderd en door de macht beloond; en iedereen heeft het er voor over om niet ongelukkig te worden.

Uit verklaringen van de priesters zelf blijkt dat de religie, waarvan de geboden van kindsaf aan ingeprent en voortdurend herhaald worden, niets kan doen tegen de verloedering van de zeden. De kerk wordt door de mensen altijd opzij gezet van zodra ze zich verzet tegen hun wensen. Ze luisteren er enkel naar wanneer ze hun passies goedkeurt, wanneer ze instemt met hun temperament en met de ideeën die ze hebben over het geluk. De libertijn lacht ermee als ze zijn uitspattingen veroordeelt; de eerzuchtige misprijst haar wanneer ze grenzen stelt aan zijn wensen; de gierigaard luistert er niet naar wanneer ze hem voorhoudt zijn rijkdom te verdelen en de hoveling lacht om haar simpelheid, wanneer ze hem beveelt oprecht en eerlijk te zijn. Anderzijds toont de heerser zich volgzaam bij haar lessen wanneer ze hem leert dat hij het evenbeeld van de godheid is; dat hij zo vastberaden moet zijn als de godheid zelf; dat hij meester is over leven en dood van zijn onderdanen; dat hij ze moet uitroeien als ze anders denken dan hijzelf. De opvliegende van aard luistert gretig als er hem bevolen wordt te haten; de wraakzuchtige gehoorzaamt haar wanneer ze hem toelaat het recht in eigen handen te nemen, onder het voorwendsel zijn God te wreken. Kortom, de religie wijzigt niets aan de passies van de mensen, ze luisteren alleen maar wanneer ze tegemoet komt aan hun verlangens. Op hun sterfbed weliswaar tonen ze berouw, maar dan is die omkering nutteloos voor de wereld. De vergiffenis van de hemel, die de religie aan de stervende voorhoudt als hij berouw betoont, moedigt de levenden nog meer aan te volharden in de boosheid, tot hun laatste moment.

De religie preekt tevergeefs de deugd, als die in tegenspraak is met het eigenbelang van de mens of hem nergens toe leidt. Daarbij kan men geen zeden opleggen aan een gehele natie als het staatshoofd zelf zedenloos is, waar de machthebbers deugd als een zwakheid beschouwen, waar de priesters haar ontwaarden door hun gedrag en waar de volksmens, niettegenstaande de preken, goed aanvoelt dat hij, om uit de ellende te geraken, zich beter kan schikken naar de ondeugden van wie machtiger is dan hijzelf. In dergelijke samenlevingen kan de moraal enkel een steriele beschouwing zijn, goed om de geest te oefenen maar zonder de mogelijkheid iemands gedrag te beïnvloeden; met uitzondering misschien van een kleine groep personen die door hun karakter gematigd en tevreden zijn met hun lot. Zij die fortuin willen maken of een minder hard lot nastreven laten zich meeslepen door de algemene stortvloed, die hen verplicht de hinderpalen te overwinnen die hun geweten opwerpt.

Het zijn dus niet de priesters, het is het staatshoofd die de zeden in een natie moet vastleggen. Hij moet het goede voorbeeld geven, hij moet de misdaad afschrikken door straffen, hij moet de deugd aanmoedigen door beloningen en hij moet vooral de publieke opvoeding in het oog houden, opdat men in de harten van de onderdanen enkel die passies zou zaaien die gunstig zijn voor de gemeenschap. Onder ons gezegd, de politiek is bijna nooit bezig met de opvoeding en vertoont de diepste onverschilligheid voor het meest essentiële object voor het geluk van de staten. Bij het merendeel van de moderne volkeren beperkt de publieke opvoeding zich tot het aanleren van talen die nutteloos zijn voor de meerderheid van hen die ze moeten leren. In plaats van de moraal prent men de christenen een aantal wonderbaarlijke fabels en onbegrijpelijke dogma's in, van een religie die met de rede geen uitstaans heeft; vanaf de eerste stappen die de jonge mens in de studie doet leert men hem dat hij afstand moet doen van de getuigenis van zijn zintuigen; zijn rede moet onderdrukken, die men hem afschildert als een onbetrouwbare gids, en dat hij zich blindelings moet onderwerpen aan het gezag van zijn meesters. Maar wie zijn die meesters ? Het zijn voor het merendeel priesters die er belang bij hebben om in het universum de meningen te onderhouden waarvan zij de vruchten plukken. Deze baatzuchtige pedagogen, vol onwetendheid en vooroordelen, zijn daardoor zelden geschikt voor de gemeenschap. Is hun laaghartige en verdorven geest trouwens wel in staat hun leerlingen te onderwijzen in datgene wat ze zelf niet kennen ?

Zijn priesters, die door de ouders gewoonlijk als minderwaardig worden beschouwd, in staat om hun kinderen tot verwerving van roem te inspireren, tot edele wedijver aan te zetten en tot gulhartige gevoelens, die de bron zijn van alle hoedanigheden die nuttig zijn voor de republiek ? Zullen ze hen leren het openbaar nut lief te hebben, het vaderland te dienen, de plichten van mens en burger te kennen, deze van de familievader en de kinderen, van meesters en knechten ? Zonder twijfel, neen. Men ziet uit de handen van die dwaze en verachtelijke gidsen alleen onwetenden en bijgelovigen komen, die, als ze enig voordeel hebben gehaald uit de gekregen lessen, niets weten over de noden voor de gemeenschap, waarvan ze nutteloze leden zijn geworden.

Naar welke kant we onze blikken ook wenden, we zien dat de studie van de belangrijkste onderwerpen voor de mens totaal verwaarloosd werd. De moraal, waaronder ik ook de politiek reken, is praktisch van geen tel in de Europese opvoeding; de enige moraal die men de christenen aanleert is de geestdriftige, onpraktische, tegennatuurlijke en onware moraal van het evangelie die alleen maar geëigend is om de mens aan zijn rede te doen twijfelen, de deugd hatelijk te maken en horige slaven te vormen. De drijfkracht van de geest wordt er door gebroken en als die moraal uitgezaaid wordt in verhitte geesten ontstaan er onstuimige fanatici, die in staat zijn om de fundamenten van de samenlevingen te doen wankelen.

Niettegenstaande de nutteloosheid en de perversiteit van de moraal die het christendom leert, durven haar volgelingen ons nog te verwijten, dat er zonder religie geen moraal bestaat. Maar wat betekent zedelijk zijn in de taal van de christenen ? Het betekent zonder ophouden bidden, tempels bezoeken, boete doen en zich onthouden van genot. Het is een leven in bespiegeling en terughouding. Wat voor goeds haalt de gemeenschap uit zulke praktijken die men kan beoefenen zonder een glimp van deugd ? Als zeden van die soort naar de hemel leiden dan zijn ze wel nutteloos op aarde. En als het werkelijk deugden zouden zijn, dan moeten we aanvaarden dat men zonder religie niet zedelijk kan zijn. Anderzijds kan men in een politieke samenleving een deugdzaam leven leiden zonder enige deugd te beoefenen die het christendom oplegt.

Men moet dus goed religieuze moraal van politieke moraal weten de onderscheiden, de eerste maakt heiligen, de andere burgers; de ene maakt nutteloze en zelfs schadelijke mensen, de andere heeft als doel nuttige, actieve en dienstbare leden voor de gemeenschap te vormen, in staat om haar te dienen; een moraal die beantwoordt aan de plichten van echtgenoten, vaders, vrienden en vennoten, wat ook hun metafysische overtuiging mogen zijn. Een moraal die steunt op geloof is echter heel wat minder betrouwbaar dan een moraal die steunt op de wetmatigheid van het gezond verstand.

Inderdaad, zeker is dat de mens een maatschappelijk wezen is dat zijn geluk zoekt, dat het goede doet wanneer het in zijn belang is, dat doorgaans niet zo boosaardig is, omdat het anders zijn welzijn zou mogen vergeten. De opvoeding heeft tot doel de onderlinge menselijke betrekkingen te leren kennen en de plichten die hieruit voortvloeien. Laat de regering met behulp van wetten, beloningen en straffen de lessen bevestigen die de opvoeding geleerd heeft; laat het geluk vergezeld gaan van nuttige en deugdzame handelingen; laat schaamteloosheid, misprijzen, tuchtiging, misdaden en ondeugden bestraft worden. Dan zullen de mensen over een menselijke moraal beschikken, gefundeerd op hun eigen natuur, op de noden van de naties, op het belang van de volkeren en van hen die regeren.

Deze moraal, onafhankelijk van de verheven overwegingen van de theologie, zal misschien niets gemeen hebben met de religieuze moraal. De gemeenschap heeft echter niets te verliezen met een moraal die zich op elk moment verzet tegen het geluk van de staten, de rust verstoort binnen de families en de eenheid van de burgers in het gedrang brengt.

Een staatshoofd, aan wie de gemeenschap het opperste gezag heeft toevertrouwd, heeft de grote drijfveren in handen die op de mensen inwerken; hij heeft meer macht dan de goden om de zeden vast te leggen en te hervormen. Zijn uitstraling, beloningen, bedreigingen, wat zeg ik, één enkele van zijn blikken, kunnen heel wat meer dan al de preken van de priesters.

Het eervolle in deze wereld, de waardigheid en de rijkdom werken sterker in op zelfs de meest religieuze mensen dan alle pompeuze beloften van de religie. De meest devote hoveling vreest de koning meer dan God. Het is dus, ik herhaal het, het staatshoofd dat moet preken. Hij is het die de zeden moet hervormen; ze zullen goed zijn als de prins zelf goed en deugdzaam is; wanneer de burgers een eerlijke opvoeding zullen ontvangen, door hen van jongsaf aan door deugdzame beginselen te laten inspireren, zullen zij gewoon zijn de deugd te eren, de misdaad te verafschuwen, de ondeugd te misprijzen en de eerloosheid te vrezen. Deze opvoeding zal niet vruchteloos zijn. De burgers zullen door hun voorbeeld bewijzen dat het door talent en deugd is, dat men eer, welvaart, onderscheidingen en gunsten bereikt en dat ondeugd enkel leidt tot misprijzen en eerloosheid. Een verlichte prins, aan het hoofd van een natie gevoed door dergelijke beginselen, zal dan echt groot en machtig zijn en gerespecteerd worden.

Zijn verkondigingen zullen doeltreffender zijn dan deze van de priesters, die al eeuwenlang tevergeefs tegen de publieke verdorvenheid uitvaren. Als de priesters zich wederrechtelijk, tegen de soevereine macht in, het recht op het onderwijs van de volkeren hebben toegeëigend, dan moet men hen dat recht ontnemen. De machtshebbers mogen niet toestaan dat de priesters het exclusieve recht hebben om het gedrag van de naties te regelen en de burgers hun moraal op te dringen. De monarch moet de priesters beteugelen als ze zichtbaar schadelijke regels aanleren tegen het goede in de gemeenschap. En als de priesters er echt op staan, laat hen toe dat zij de burger leren hoe hun God zich in brood veran-dert; maar laat hen niet toe te leren, dat wie weigert in dit mirakel te geloven, moet worden gehaat en vernietigd. Dat in een samenleving geen enkele geïnspireerde de bevoegdheid krijgt de onderdanen tegen het gezag op te zetten, tweedracht te zaaien, de banden die de burgers verenigen te verbreken en de openbare vrede te verontrusten, wegens verschillen in overtuiging. Als de soeverein het wil kan hij de geestelijkheid zelf in toom houden. Het fanatisme wordt beschaamd als het geen bijval kent; de priesters zelf verwachten van de prins de vervulling van hun wensen; de meeste onder hen zijn echter altijd bereid om de zogenaamde belangen van de religie en het geweten op te offeren, als ze dit offer noodzakelijk achten voor hun profijt. De prinsen zullen er altijd belang bij hebben religie te behouden en hun bedienaars te ontzien, in ieder geval om politieke redenen. Zelfs als ze hun dwaling inzien, dan meen ik nog dat door een overvloed van voorbeelden de souvereinen gemakkelijk ervan te overtuigen zijn, dat de christelijke religie honderdvoudig schadelijk was voor hun gelijken; dat de geestelijkheid altijd de rivale was van het koningschap en altijd zo zal blijven, en dat de christelijke priesters essentieel de minst onder-danige burgers zijn. Elke verlichte prins zal aanvoelen dat zijn werkelijk belang erin bestaat gelukkige volkeren te regeren; dat van het welzijn dat hij hen bezorgt zijn eigen zekerheid en zijn eigen grootsheid zal afhangen, kortom, dat zijn geluk verbonden is met dat van zijn volk, en dat hij, aan het hoofd van een natie, samengesteld door eerlijke en deugdzame burgers, sterker zal staan dan aan het hoofd van een troep onwetende en ontaarde slaven, die hij verplicht zal zijn te bedriegen om ze in toom te houden, en hen te overstelpen met huichelarij om hen te beheersen.

Laten we dus niet wanhopen dat de een of andere dag de waarheid niet zou doordringen tot de troon. Als kennis van rede en van wetenschap zoveel last ondervinden om tot bij de prinsen te geraken, dan komt het doordat de belanghebbende priesters en de hongerige hovelingen hen in een eeuwige staat van onwetendheid trachten te houden, hen de macht en de grootheid van schimmen tonen en hen afleiden van de noodzakelijke voorwerpen voor hun echt geluk. Elke soeverein, die de moed heeft zelfstandig te denken, zal aanvoelen dat zijn macht altijd wankelend en onzeker zal zijn, zolang deze macht steunt op de spoken van de religie, de vergissingen van het volk en de grillen van de geestelijkheid. Hij zal de ongemakken aanvoelen die afkomstig zijn van een fanatieke administratie, die tot nu toe enkel verwaande onwetenden heeft gevormd, koppige en dikwijls woelige christenen, burgers die niet in staat zijn de natie te dienen, imbeciele volkeren die klaar staan om de indrukken op te vangen van de gidsen die hen doen dwalen. De prins zal de onmetelijke hulp van de goederen die hem worden overhandigd weten te waarderen, goederen die zo lang door nutteloze mannen wederrechtelijk van de natie werden vervreemd, onder het voorwendsel om het volk te beleren maar die de natie hebben bedrogen en verslonden.

Een krachtige en wijze prins zal de nuttige instellingen overdragen aan de staat, in plaats van aan de religieuze instellingen. Met het beheer door de priesters wordt het gezond verstand beschaamd en dient enkel om de luiheid te belonen, de brutaliteit en de luxe te onderhouden en om de priesterlijke hoogmoed te bestendigen. Door die overdracht aan de staat zullen talenten ontluiken en een gezonde jeugd ontstaan. Diensten en deugden zullen worden beloond, de volkeren ontlast en de burgers openbloeien.

Ik beeld me in, mijnheer, dat deze bedenkingen mij zullen vrijpleiten in uw ogen. Ik verlang niet naar bijval van hen die zich koesteren in het ongeluk van hun medeburgers; aan verdorven en onredelijke mannen valt niets te bewijzen.

Ik hoop dat u mijn boek niet meer gevaarlijk vindt en mijn hoop totaal hersenschimmig. Zedenloze mensen hebben de religie aangevallen omdat die hun neigingen in de weg stond; wijze mannen hebben haar misprezen omdat ze haar belachelijk vonden; meerdere personen hebben haar met onverschilligheid beschouwd omdat ze er de echte schaduwzijden niet van aangevoeld hebben. Als burger val ik haar aan omdat ik haar schadelijk acht voor het geluk van de staat, een vijand voor de vooruitgang van de menselijke geest en tegennatuurlijk aan een gezonde moraal, waarvan de belangen van de politiek nooit gescheiden kunnen worden.

Ik besluit dit schrijven met een uitspraak van een dichter, net als ik een vijand van alle bijgeloof :

Si tibi vera videtur,
Dede manus, & si falsa est, accingere contra.

Parijs, 4 mei 1758.

Naar de oorspronkelijk Franse tekst van het Voorwoord

Naar Inhoudstafel van Het Christendom ontsluiterd

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2004 Nr 1

Hoofdstuk I – Inleiding

Over de noodzakelijkheid de religie te onderzoeken en over de hindernissen die men bij dit onderzoek ondervindt.

Een redelijk wezen moet in al zijn handelingen zijn eigen geluk en dat van zijn soortgenoten in overweging nemen.

De religie, die ons algemeen voorgesteld wordt als de belangrijkste zaak voor ons tijdelijk en eeuwig geluk, biedt alleen voordelen, wanneer ze ons bestaan in deze wereld gelukkig maakt en zolang wij ervan verzekerd zijn, dat ze haar paaiende beloften over ons verblijf in de andere wereld zal vervullen. Onze plichten tegenover de god, die we beschouwen als de meester over ons lot, kunnen enkel gegrond zijn op de voordelen die wij ervan verwachten of op het onheil dat we ervan vrezen. Het is dus noodzakelijk dat de mens de redenen van zijn hoop en zijn vrees onderzoekt. Hij moet daarvoor zijn ervaring en zijn rede gebruiken, de enige die hem in dit ondermaanse leiding kunnen geven. Door de voordelen te bekijken die de religie hem hier in de zichtbare wereld die hij bewoont kan bezorgen, kan hij oordelen over deze die ze hem beloofd in een onzichtbare wereld, waarnaar ze hem verplicht zijn blikken te wenden.

De meeste mensen houden zich alleen uit gewoonte aan hun religie. Ze hebben nooit ernstig de redenen onderzocht die hen ermee verbindt of nagedacht over de redenen van hun gedrag en de oorsprong van hun overtuigingen. Zo gezien is de zaak die ze als de belangrijkste beschouwen ook deze waarvoor ze de grootste angst hebben om er zich in te verdiepen. Ze volgen de wegen die hun vaderen hebben voorgeschreven, ze geloven omdat men hen als kind gezegd heeft dat ze moesten geloven. Ze hopen omdat hun voorvaderen hebben gehoopt en ze bevreesd omdat hun voorgangers bevreesd waren. Bijna nooit hebben ze zich aangedurfd rekening te houden met de redenen van hun geloof. Heel weinig mensen beschikken over de nodige vrije tijd en de bekwaamheid om de oorzaken van hun alledaagse verering, van hun weinig overwogen aanhankelijkheid en van hun traditionele angsten te onderzoeken. De naties worden voortdurend meegesleept door een stortvloed van gewoonten, voorbeelden en vooroordelen. De opvoeding maakt de geest gewoon aan de meest monsterachtige overtuigingen, zoals het lichaam zich aanpast aan de meest onnatuurlijke houdingen. Alles wat lang heeft geduurd wordt geheiligd door de mens en ze zouden zich schuldig voelen als ze hun vermetele blikken zouden richten op zaken die bekleed zijn met het zegel van de Oudheid. Uit vermeende eerbied voor de wijsheid van hun vaderen, hebben ze niet de eigendunk om na hen nog iets te onderzoeken. Ze beseffen echter niet dat in alle tijden de mens het slachtoffer was van zijn vooroordelen, van zijn vrees en hoop; en dat het juist die redenen zijn die hem het onderzoek naar het wezen van de religie onmogelijk hebben gemaakt.

Het gewone volk, bezig met de noodzakelijke werkzaamheden voor zijn voortbestaan, hecht een blind vertrouwen aan hen die beweren het te leiden. Het laat aan hen de zorg over voor hen te denken; het onderschrijft zonder meer alles wat het voorgeschreven wordt; het zou vrezen zijn god te beledigen zou het ook maar een moment twijfelen aan de goede trouw van hen die in zijn naam spreken. De machtigen, de rijken, de mensen van stand, ook al zijn ze beter ingelicht dan het gewone volk, hebben er alle belang bij om zich aan de vooroordelen te houden en ze te handhaven. Zichzelf overgevend aan slapheid, losbandigheid en pleziertjes zijn ze trouwens niet in staat om interesse te betonen in een religie die moet zwichten voor hun passies, voor hun neigingen en de wens om zich te amuseren.

Tijdens onze kinderjaren ondergaan wij alle indrukken die men ons wil geven; we hebben noch de bekwaamheid, noch de ervaring en de nodige moed om te twijfelen aan hetgene wat men ons aanleert, en door onze zwakheid zijn we afhankelijk van hen die ons onderrichten. Eenmaal volwassen beletten de onstuimige passies en de voortdurende euforie van de zinnen ons te denken aan een religie die te stekelig en te triestig is om er aangenaam mee bezig te zijn. Wanneer een jonge man ze even in overweging neemt is het met vooringenomenheid, of blijft het onderzoek zonder enig gevolg. Een oppervlakkige blik maakt hem snel afkerig van zo'n onaangenaam onderwerp. Op rijpe leeftijd slorpen allerlei zorgen, nieuwe passies, het streven naar grootheid en macht en het verlangen naar rijkdom alle aandacht op van de gevestigde man. Er blijven hem slechts weinig ogenblikken over om na te denken over een religie waarvoor hij nooit de tijd heeft gehad om er zich ernstig in te verdiepen. Eenmaal oud geworden beletten uitgedoofde vermogens, machinale gewoonten, lichamelijke gebreken en verzwakte organen ons, om terug te keren naar onze ingewortelde overtuigingen. De vrees voor de dood, die we voor ogen hebben, zou overigens een onderzoek, waarbij de angst gemeenlijk heerst, zeer ongewenst zijn.

Het is op die wijze dat religieuze overtuigingen, wanneer men ze eenmaal heeft binnengelaten, zich eeuwenlang kunnen handhaven. Het is ook op die wijze dat de naties ideeën doorgeven die ze nooit onderzocht hebben. Ze geloven dat het geluk verbonden is met hun instellingen, die, als men ze zou onderwerpen aan een doorgezet onderzoek, snel als de bron van de meeste van hun plagen zou te voorschijn komen. De overheid komt de vooroordelen van de mensen nog een steuntje geven, ze verbiedt hen het onderzoek, ze dwingt hen tot onwetendheid en ze houdt zich altijd klaar om diegenen te straffen die ons zou willen uit de droom helpen. Laten we dus niet verwonderd zijn dat dwaling en menselijk ras nagenoeg identieke begrippen zijn. Alles schijnt bij te dragen om zijn verblinding te vereeuwigen; alle krachten werken samen om de waarheid te verbergen. De tirannen haten en onderdrukken de waarheid, omdat die hun onterechte en schimmige titels ter discussie kan stellen en de geestelijkheid belastert haar, omdat de waarheid haar pronkerige aanspraken vernietigt. De onwetendheid, de traagheid en de passies van de volkeren zijn een werktuig voor diegenen die er belang bij hebben de volkeren te verblinden, hen onder de knoet te houden en gebruik te maken van hun tegenspoed. Daardoor komt het dat de naties zuchten onder erfelijke kwalen. Nooit denken ze eraan er iets aan te doen, zij het omdat ze er de bron niet van kennen, zij het omdat de gewoonte hen met het ongeluk vertrouwd heeft gemaakt en hen zelfs de wens om verbetering te brengen ontnomen heeft.

Zou de religie voor ons de belangrijkste zaak betekenen, zou ze noodzakelijkerwijze heel ons levensgedrag beïnvloeden en zou haar invloed zich niet uitsluitend beperken tot ons bestaan in deze wereld, maar ook tot deze die de mens zichzelf belooft voor de volgende, dan zou er uiteraard niets belangrijker zijn dat men haar aan een ernstig onderzoek onderwerpt. Religie is echter een onderwerp waarin de gewone mens heel wat goedgelovigheid vertoont. Dezelfde mens die een ernstig onderzoek zou ondernemen voor een zaak die misschien maar weinig interessant is voor zijn welzijn, doet echter geen enkele moeite om de beweegredenen te onderzoeken die hem ertoe hebben geleid te geloven en dingen te doen waarvan, naar zijn eigen bekentenis, zijn tijdelijk en eeuwig geluk afhangt. Hij laat die blindelings over aan wat het toeval hem aan gidsen gegeven heeft. Hij vertrouwt hen de zorg toe erover te denken voor hem en rekent het zich zijn luiheid en zijn lichtgelovigheid als een verdienste aan. Als het religie betreft dan vinden de mensen het een eer als kind behandelt te worden en in onbeschaafdheid te blijven. Toch zijn er in alle eeuwen mannen geweest die de vooroordelen van hun medeburgers als niet ernstig hebben bestempeld en hen de waarheid hebben verteld. Maar wat kon hun zwakke stem doen tegen de vergissingen die met de moedermelk werden ingezogen, bevestigd door de gewoonte, toegestaan door het voorbeeld en versterkt door een politiek die dikwijls haar eigen ruïne in zich hield' De indrukwekkende kreten van de huichelarij legden al wie de waarde van de rede aanbeval weldra het zwijgen op; vergeefs trachtte de filosoof de mensen moed in te pompen, terwijl de priesters en hun koningen hen verplichten te beven. Het zekerste middel om de mensen te bedriegen en om hun vooroordelen te vereeuwigen bestaat erin hen te bedriegen vanaf hun prille jeugd. Bij heel wat moderne volkeren doelt de opvoeding op het vormen van fanatici, vromen en monniken, d.w.z. schadelijke mensen, mensen zonder nut voor de gemeenschap. Nergens tracht men burgers te vormen : zelfs de prinsen, gemeenlijk slachtoffers van hun bijgelovige opvoeding die men hen geeft, blijven hun leven lang in de diepste onwetendheid van hun plichten; ze stellen zich voor alles gedaan te hebben voor hun onderdanen, als ze hen de geest laten vullen met religieuze ideeën die als goede wetten gelden en die de meesters ontslaan van de pijnlijke zorg hen goed te regeren. De religies schijnen alleen uitgedacht te zijn om de vorsten en hun volkeren tot slaven te maken van de geestelijkheid die enkel bezig is met het voortdurend opwerpen van hindernissen voor het geluk van de naties. Overal waar ze regeert heeft de vorst geringe macht en zijn de onderdanen verstoken van bedrijvigheid, wetenschap, zielengrootheid en nijverheid; in een woord, van de noodzakelijke kwaliteiten voor de instandhouding van de gemeenschap.

Wanneer men in een christelijke staat enige bedrijvigheid opmerkt, wanneer men er wetenschap vindt, wanneer er maatschappelijke normen heersen, dan is dat niet te wijten aan hun religieuze overtuigingen. Als de natuur het maar enigszins kan, zal zij de mens steeds terugbrengen naar de rede en ze laten werken aan hun eigen geluk. Als de christelijke naties in overeenstemming zouden zijn met hun beginselen dan zouden ze in de diepste inertie moeten ondergedompeld zijn; onze contreien zouden bewoond worden door een klein aantal vrome wilden die elkaar enkel zouden ontmoeten om elkaar schade te berokkenen. Inderdaad, wat voor zin heeft het om zich bezig te houden met een wereld, die door de religie aan zijn onderworpenen voorgesteld wordt als een doorreisplaats ? Wat kan werkzaamheid betekenen voor een volk, waaraan men alle dagen herhaalt dat zijn God wil dat het bidt, dat het zich kwelt, dat het in angst leeft, dat het zonder ophouden klaagt ? Hoe zou er zich een gemeenschap kunnen in stand houden, die samengesteld is uit mensen die men ervan overtuigt dat ze geestdrift moeten betonen voor hun religie en dat men zijn medemens moet haten en vernietigen ? Ten slotte, hoe kan men menselijkheid, gerechtigheid en deugden verwachten van een massa fanatici die men als model een wrede god voorstelt, die verborgen en boosaardig is en die plezier heeft bij het zicht van de tranen van zijn ongelukkige schepselen, die hen in hinderlagen lokt, die hen straft omdat ze erin getrapt zijn, die diefstal, misdaad en bloedbaden beveelt ?

Dat zijn nochtans de kenmerken van de christelijke god die het christendom van de joden heeft geërfd. Deze god was een sultan, een despoot, een tiran, waaraan alles was toegestaan. Die god werd het model van volmaaktheid. In zijn naam werden de meest weerzinwekkende misdaden begaan. Die misdaden werden altijd gerechtvaardigd van zodra ze begaan werden om zijn zaak te ondersteunen of om in zijn gunst te komen.

Op die wijze werd de christelijke religie, die er prat op gaat een onverzettelijke steun te zijn voor de moraal en voor de mensen de sterkste beweegredenen om deugdzaam te zijn, een bron van verdeeldheid, van razernij en misdaad. Onder het voorwendsel hen vrede te brengen, bracht ze hen razernij, haat, tweedracht en oorlog. Ze voorzag hen van duizend vernuftige middelen om zich te kwellen en liet over hen gesels neerdalen die hun vaderen nooit gekend hebben. Zouden de christenen enig verstand gehad hebben dan zouden zij wel duizend keer de vredige onwetendheid van hun afgodische voorvaderen benijd hebben …

Als de zeden van de volkeren geen baat hadden van de christelijke religie, dan haalde ook de macht van de koningen, waarvan ze beweerde de steun te zijn, er geen grote voordelen uit. Er werden in elke staat twee onderscheidene machten ingesteld. De macht van de religie, die gevestigd was op God zelf, haalde het bijna altijd op die van de vorst. Die werd verplicht de dienaar van de priesters te zijn. Telkens wanneer hij weigerde voor hen te knielen werd hij vogelvrij verklaard en uit zijn rechten ontzet : ofwel werd hij vermoord door zijn onderdanen, die door de priesters tot opstand werden aangezet, ofwel door een aantal fanatici, die van de priesters het mes hadden gekregen. Vóór het christendom, was de soeverein van de staat eveneens de soeverein van de priesters. Sinds de wereld christelijk is, is de soeverein enkel de eerste slaaf van de geestelijkheid, de uitvoerder van haar wraak en van haar decreten.

We mogen dus besluiten dat de christelijke religie geen redenen heeft om zich te beroepen op de voordelen die ze aan de moraal of aan de politiek zou leveren. Laten we haar dus de sluier afrukken waarmee ze zich bedekt; laten we terugkeren naar haar bronnen; laten we haar beginselen analyseren, laten we haar volgen in haar opmars, en we zullen vinden dat ze gevestigd is op bedrog, op onwetendheid en op goedgelovigheid. Nooit was ze nuttig en nooit zal ze nuttig zijn voor de mensheid, tenzij voor hen die geloven er belang bij te hebben de mensheid te bedriegen. Ze zal nooit ophouden een grote last te zijn voor de naties. In plaats van het geluk dat ze beloofde te brengen heeft ze de mensheid aangezet tot razernij, haar ondergedompeld in bloed en haar laten verzinken in hysterie en misdaad; opdat zij haar echte belangen en heiligste plichten zou miskennen.


christ-devoile_titel01.jpg
“Le Christianisme dévoilé“ was Holbach's eerste filosofische werk (1758).
Hoger exemplaar (1794) is de laatste herdruk van dit werk, verkeerdelijk opgenomen in het verzameld
werk van Ingenieur des Ponts et Chaussées en filosoof Antoine Nicolas Boulanger (1722-1759).

Naar de oorspronkelijk Franse tekst van het Hoofdstuck I

Naar Inhoudstafel van Het Christendom ontsluiterd

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2004 Nr 2

Hoofdstuk II

Korte geschiedenis van het Joodse volk.

In een klein gebied, vrijwel onbekend voor andere volkeren, leefde een volk waarvan de stichters in slavernij hadden geleefd bij de Egyptenaren. Ze werden van hun dienstbaarheid bevrijd door een priester uit Heliopolis die, door genialiteit en kennis, zijn gezag over hen kon laten gelden. Deze man, gekend als Mozes, was goed op de hoogte van de wetenschappen van het land waaruit hij de Hebreeërs had geleid, een land dat tevens rijk was aan wonderen en allerlei bijgeloof. Hij had zich aan het hoofd gesteld van een troep vluchtelingen, die hij er kon van overtuigen dat hij de uitvoerder was van de wil van hun God, waarmee hij persoonlijk omging en van wie hij rechtstreeks de bevelen ontving. Hij maakte zijn beweringen sterk door werken uit te voeren die bovennatuurlijk schenen aan mensen die onbekend waren met de wetten van de natuur en met de kunstjes uit de trukendoos. Het eerste bevel dat hij hen gaf, in opdracht van hun God, was het bestelen van hun meesters, die ze op het punt stonden te verlaten. Wanneer ze zich zo verrijkt hadden in Egypte en Mozes zich van hun vertrouwen had verzekerd, leidde hij hen in de woestijn, waar hij hen gedurende veertig jaar onderwierp aan de meest blinde gehoorzaamheid. Hij onderrichtte hen in de wil van de hemel, verzon mooie verhalen over hun voorouders en leerde hen vreemde rituelen waarmee men de allerhoogste kon behagen. Hij spoorde hen vooral aan tot de giftigste haat tegenover de goden van andere naties en weloverwogen wreedheid tegen hen die deze goden aanbaden. Door bloedbaden en strengheid maakte hij van hen slaven, plooibaar naar zijn wil, steeds bereid om hem te helpen zijn driften te bevredigen en zich op te offeren om aan zijn eerzucht te voldoen. In één woord, hij maakte van de Hebreeërs fanatieke en wrede wezens. Nadat hij hen tenslotte met de geest van vernielzucht had bezield, wees hij hen de landen en de bezittingen van hun buren aan, als de erfenis die God hen had toebedacht.

Trots op de bescherming van hun God Jehovah trokken de Hebreeërs de overwinning tegemoet. De hemel gaf hen de toelating schurkerij en wreedheid te begaan. De religie, hand in hand met de hebzucht, smoorde bij hen de kreten van de natuur, en onder het bevel van hun onmenselijke leiders vernietigden ze de volkeren van Kanaän, met een barbaarsheid die elke mens tegen de borst stuitte die niet door fanatiek bijgeloof totaal van zijn rede beroofd was. In de steden waarin de woestelingen, in opdracht van de hemel, met hun alles overwinnende legers binnendrongen, werd noch de zuigeling, noch de debiele grijsaard of de zwangere vrouw gespaard. De steden werden verwoest, het gegeven woord verkracht, de gerechtigheid geschonden en wreedheid alom beoefend. Als overweldigers en moordend op hun weg slaagden de Hebreeërs erin zich te vestigen in een weliswaar niet zo vruchtbaar land, maar dat ze, in vergelijking met de woestijn, die ze verlaten hadden, een paradijs vonden. Op gezag van hun priesters, die zich voordeden als de zichtbare vertegenwoordigers van hun verborgen God, stichtten ze er een staat, die verafschuwd werd door de naburige staten en het voorwerp werd van haat en misprijzen. Gedurende lange tijd regeerde een theocratische geestelijkheid dit blinde en ruwe volk. Zij kon de Hebreeërs ervan overtuigen dat, als zij aan hun priesters gehoorzaamden, zij aan God-zelf gehoorzaamde. Ondanks het bijgeloof dat hen was opgedrongen en waarschijnlijk omdat het volk het beu werd onder het juk van de priesters te blijven lopen, wilde het uiteindelijk door koningen geregeerd worden, naar het voorbeeld van de andere volkeren. Bij de keuze van een monarch voelde het zich verplicht bij een profeet te rade te gaan. Zo startte een monarchie, waarvan de prinsen in hun handelingen door de priesters gedwarsboomd werden. Bezielde en eerzuchtige profeten verhinderden de vorsten, als die te weinig tegemoet kwamen aan hun nukken, om rechtvaardig te regeren. De geschiedenis van het Joodse volk toont ons koningen die blind onderworpen waren aan de geestelijkheid, eeuwig in strijd met haar en tenslotte tenonder gingen onder haar mokerslagen. Het wrede en lachwekkende bijgeloof van de Hebreeërs maakte hen tot een vijand van de menselijke soort en het voorwerp van verontwaardiging en van misprijzen. Het Joodse volk was een opstandig volk, zodat het regelmatig tot strubbelingen kwam met de veroveraars van hun land. Ze werden achtereen-volgens de slaven van de Egyptenaren, de Babyloniërs en de Grieken. En zonder ophouden werden ze mishandeld. Regelmatig verloochenden ze hun God, omdat ze er, door de wreedheid en de tirannie van de priesters, afkerig waren van geworden. De prinsen, die hen vruchteloos trachtten te verpletteren onder een ijzeren scepter, gelukte er niet in hen te onderwerpen en er verknochte onderdanen van te maken. De Hebreeër bleef altijd het slachtoffer en de gefopte van zijn profeten en priesters. In perioden van groot ongeluk hielp zijn fanatieke koppigheid, zijn onzinnige hoop en zijn onvermoeibare lichtgelovigheid hem tegen de slagen van het lot. Uiteindelijk, zoals de rest van de wereld, onderging Judea het juk van de Romeinen. De nieuwe meesters misprezen de Hebreeërs en behandelden hen vanuit de hoogte, uit afschuw voor hun Wet. Verbitterd door zoveel tegenspoed werd het volk nog oproeriger, fanatieker en blinder. Trots op de beloften van zijn God en vervuld van vertrouwen door de voorspellingen van welwaart, die weliswaar nooit kwam, werd het aangemoedigd door enthousiastelingen en bedriegers, die inspeelden op zijn goedgelovigheid. De Joodse natie wachtte tevergeefs op een Messias, een monarch, een bevrijder, die het zou ontdoen van het juk waaronder het zuchtte, en die het zou doen heersen over alle volkeren van het universum.

Naar de oorspronkelijk Franse tekst van het Hoofdstuck II

Naar Inhoudstafel van Het Christendom ontsluiterd

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2004 Nr 3

Hoofdstuk III

Korte geschiedenis van het Christendom.

Temidden van het Joodse volk, dat blijkbaar voorbeschikt was om zich te verlustigen aan hoop en hersenschimmen, dook een bezielde op, waarvan de volgelingen erin geslaagd zijn het aangezicht van de aarde te veranderen. Een arme Jood die zich voordeed als een verre afstammeling van koning David, ongekend in eigen land, was plotseling uit de duisternis verschenen om bekeerlingen te zoeken. Die vond hij, bij het onwetende volk, dat hij ervan overtuigde de zoon van God te zijn en de bevrijder van hun onderdrukte natie. Hij was de Messias die door hun profeten was aangekondigd. Zijn volgelingen, gewoonweg bedriegers en verleiders, gaven schitterende getuigenissen over zijn macht. Zo beweerden zij, dat zijn zending bewezen werd door talloze wonderen. Het enige wonder waartoe hij echter niet in staat was geweest, was het overtuigen van zijn eigen volk, dat niet in de ban was geraakt van zijn weldoende en wonderlijke werken, maar hem lieten sterven op een erbarmelijke wijze. Zo stierf de zoon van God voor het oog van heel Jeruzalem. Zijn aanhangers verzekerden nadien, dat hij in het geheim, drie dagen na zijn dood, heropgestaan was. Zichtbaar voor hen alleen en onzichtbaar voor de natie die hij was komen verlichten en tot zijn leer bekeren. De verrezen Jezus, zo werd gezegd, vervoegde zich enige tijd later bij zijn volgelingen. Nadien keerde hij terug naar de hemel, om weer God te worden, en met zijn vader deel te hebben aan de aanbidding en de verering van de aanhangers van de nieuwe Wet. Door het opeenhopen van bijgelovigheden, het uitdenken van bedriegerijen, het smeden van dogma's en het opstapelen van mysteries, zijn de volgelingen er geleidelijk in geslaagd een vormloos en onsamenhangend religieus systeem op te bouwen, dat men het christendom noemde, naar de naam van zijn stichter Christus. De vele naties die het Joodse volk hadden onderworpen aan zijn macht, hadden hen besmet met een overvloed van dogma's uit het heidendom. Op die wijze werd de Joodse religie, van oorsprong Egyptisch, voor een belangrijk deel beïnvloed door de rituelen en de godsdienstige gebruiken van de volkeren waarmee zij in contact waren geweest. Het hoeft ons dus niet te vewonderen dat zowel de Joodse als de de christelijke godsdienst elementen bevatten die zij overgenomen hebben van de Feniciërs, de Perzen, de Grieken en de Romeinen. De dwalingen van de mensen op het gebied van religie zijn overal gelijkaardig. Ze verschillen uiteindelijk maar door een verschillende samenstelling van de gebruikte elementen. De omgang van de Joden en de christenen met de Grieken, bracht hen in contact met de filosofie van Plato, die handig inspeelde op de dromerige geest van de Oosterlingen en die hen voorhield dat de geest van de religie niet bereikbaar was door de rede.

Paul, een enthousiaste en gedreven volgeling van Jezus, bracht de nieuwe doctrine, die hij verrijkt had met eigen verheven en wonderlijke daden, naar de volkeren van Azië en Rome. Hij had vele aanhangers, want een mens die tot de verbeelding spreekt van ongeletterden kan hun belangstelling opwekken.

Deze rondreizende apostel mag men met recht als de stichter beschouwen van een religie, die zonder hem zich niet had kunnen verspreiden. Door onenigheden met de medestichters had hij zich van de vroegste groep afgescheiden, en was leider geworden van een eigen sekte. Wat er nu ook van zij, bij zijn geboorte was het christendom verplicht te werven onder het gewone volk, Joden en heidenen uit de laagste standen van de bevolking die er geen moeite mee hadden geloof te hechten aan de wonderbaarlijke verhalen van de nieuwe godsdienst. Daarbij was een onfortuinlijke god, die een onschuldig slachtoffer was geweest van kwaad opzet en een vijand van de rijken en de machtigen, een troostend zinnebeeld voor de armzaligen. De strenge zeden, het misprijzen van rijkdom en de schijnbaar onbaatzuchtige zorgen van de eerste predikers van het evangelie beoogden de beheersing van de geest van volgelingen. Verder waren de gelijkheid van de volkeren, de gemeenschap van goederen en het verlenen van onderlinge hulp zeer geëigende doelstellingen om aan de wensen van de armen tegemoet te komen, en om het aantal christenen snel te doen toenemen. Eenheid, eensgezindheid en wederzijdse affectie –aan dit laatste punt werd heel veel belang gehecht– kon een heleboel eerlijke mensen verleiden om tot de nieuwe sekte toe te treden. Het feit dat de sekte onderdanig bleef tegenover de machthebbers, lijden en armoede geduldig onderging en zich verborgen hield, werd de groeiende sekte als weinig gevaarlijk beschouwd in de ogen van een regering, die er geen punt van maakte dat allerlei sekten in hun machtsgebied verbleven. Hierdoor kregen de stichters van het christendom vele aanhangers onder het volk. Ze ondervonden slechts tegenstand van dwarsliggers en bijgelovige priesters en een aantal Joden die er belang bij hadden de gevestigde religie te behouden. Geleidelijk aan kreeg de nieuwe cultus, waarvan de aanwezigeheid, door zijn verborgenheid en door de schimmigheid van zijn mysteries, nauwelijks was opgevallen, zeer diepe wortels en was het te sterk verbreid om het nog te kunnen uitroeien. De Romeinse regering bemerkte te laat het succes van het geminachte genootschap dat zeer sterk geworden was en het aandurfde de heidense goden te trotseren, zelfs tot in hun tempels. Keizer en overheid maakte zich zorgen en wilde geen sekte die hen kon overschaduwen. De christenen werden vervolgd omdat ze niet met zachtheid tot de orde konden worden geroepen. Koppig door hun fanatisme ondergingen ze de folteringen, waardoor ze de sympathie van de omstaanders verkregen. Hun standvastigheid tijdens de folteringen werd als bovennatuurlijk en goddelijk geduid. Het enthousiasme werkte aanstekelijk en de tirannie zorgde alleen maar voor nieuwe verdedigers voor een sekte die men wilde onderdrukken. Dat men ermee ophoudt ons de vooruitgang van het christendom als wonderlijk voor te stellen. Het was de religie van de armen. Het kondige een arme god aan en het werd gepredikt door armen aan arme onwetenden. Het troostte hen in hun staat. De lugubere ideeën zelf waren analoog aan de gesteldheid van de ongelukkige en behoeftige mensen. De eendracht en de samenhorigheid, die men zo bewondert onder de eerste christenen zijn niet wonderlijk; een opkomende en onderdrukte sekte blijft verenigd en vreest de splitsing van zijn belangen. Hoe zouden in die eerste tijden de priesters, die vervolgd en behandeld werden als herrieschoppers, het aangedurfd hebben onverdraagzaamheid en vervolging te preken ? De harde behandeling van de eerste christenen kon hen niet van gedachten doen veranderen. Tirannie prikkelt, omdat de geest van de mens onbeïnvloedbaar is, als het gaat om overtuigingen waaraan zijn zaligheid is gekoppeld. Dat is het onvermijdelijke van vervolging. Toch hebben de christenen, waarvan het voorbeeld van hun eigen sekte hen zou moeten de ogen geopend hebben, zich tot nu toe nooit kunnen genezen van de drang om zelf andersdenkenden te vervolgen. De Romeinse keizers werden meegetrokken in een algemene vloed. Ze bekeerden zich tot het christendom, om zo de hulp te kunnen inroepen van een machtige sekte. Ze lieten de religie hun troon bestijgen. Ze beschermden de kerk en haar bedienaars en wilden dat de hovelingen hun ideeën adopteerden. Ze bekeken de aanhangers die gehecht bleven aan de oude religie met een kwaad oog, totdat ze de beoefening ervan verboden. Het eindigde met een algemeen verbod, op straffe van de dood. Zonder ontzien vervolgde men de mensen die zich hielden aan de cultus van hun vaderen. De christenen gaven dan met rente de heidenen de lasten terug die ze hen hadden doen aangedaan Door de ongebreidelde ijver van de keizers en van de priesters, die kort daarvoor enkel zachtheid en inschikkelijkheid hadden gepredikt, werd het Romeinse rijk de prooi van bloedige opstanden. Om politieke en bijgelovige redenen overstelpten de keizers de geestelijkheid met milde giften en weldaden. Zij vestigden het gezag van de geestelijkheid op de macht die ze hen hadden gegeven en die nadien als goddelijk werd vereerd. Men ontlastte de priesters van alle burgerlijke functies, omdat niets hen zou afleiden van hun heilige zending. Zo werden de opperpriesters, van een voorheen kruipende en vervolgde sekte, onafhankelijk en uiteindelijk machtiger dan de koningen en matigden ze zich weldra het recht toe zelf te bevelen. De priesters van een god van vrede, bijna altijd in onmin met elkaar brachten hun driften en hun razernij over op de volkeren. Het universum zag, onder de wet van de genade, twisten en ongelukken ontstaan, die het nooit had ondergaan onder de vredige godheden van het heidendom, die zich hadden beperkt tot de verdeling onder elkaar van het eerbetoon van de stervelingen.

Zo vorderde het bijgeloof, onschuldig bij zijn ontstaan, maar dat vervolgens, ver van geluk voor de mensheid voort te brengen een twistappel werd en de vruchtbare kiem van zijn rampen. Vrede op aarde, en goede wil voor de mensen : Het is op die wijze dat het evangelie zich aankondigt. Het heeft meer bloed aan de menselijke soort gekost dan al de andere religies van de wereld samengenomen. Bemin uw god met al uw krachten, en uw naast als uzelf : Ziedaar volgens de wetgever en de god van de christenen de som van hun plichten. Toch zien we die christenen in de onmogelijkheid om van een wrede strenge en grillige god te houden. Aan de ene kant zien we dat ze hem vereren, en aan de andere kant zien we hen onophoudelijk bezig met het pesten, vervolgen en vernietigen van hun naasten en hun broeders. Door welke ommekeer is een religie die zachtheid, eendracht, nederigheid, het vergeven van beledigingen en de onderdanigheid tegenover de machthebbers ademt, duizend keren het teken van tweedracht, razernij, opstand, oorlog en van de zwartste misdaden geworden ? Hoe hebben de priesters van een god van vrede zijn naam als voorwendsel kunnen gebruiken om de gemeenschap te verstoren, de menselijkheid uit te bannen, de meest ongehoorde misdaden toe te laten, de burgers gevangen te zetten en de soevereinen te vermoorden ?

Om al deze tegenstellingen te verklaren, volstaat het een blik te werpen op de god die de christenen van de joden hebben overgeërfd. Niet tevreden met de afschuwelijke kleuren waarmee Mozes hem afgeschilderd heeft, hebben de christenen zijn beeld nog meer verminkt. De tijdelijke straffen in dit leven zijn de enige waarover de Hebreeuwse wetgever het heeft. De christen ziet zijn barbaarse god met woede en zonder maat zich wreken tot in alle eeuwigheid. In één woord, het fanatisme van de christenen voedt zich met de weerzinwekkende idee van een hel, waar hun god, veranderd in een even onrechtvaardige als onverbiddelijke beul, zich laaft aan de tranen van zijn ongelukkige schepselen en hun bestaan aldaar vereeuwigt, om hen oneindig ongelukkig te maken. Daar is hij bezig met zijn wraak en geniet van de martelingen van de zondaar. Hij luistert met plezier naar diens onnuttig gehuil in zijn brandende kerker. De hoop zijn smarten te zien beëindigen zal geen moment zijn martelingen onderbreken.

In een woord, na de verschrikkelijke god van de Joden overgenomen te hebben, verhoogt het christendom nog meer zijn wreedheid. Het stelt hem voor als de meest onzinnige, bedrieglijke en wrede tiran die de menselijke geest ooit heeft kunnen uitdenken. Het christendom gaat er van uit, dat hij zijn onderdanen behandelt met onrechtvaardigheid en barbaarsheid die waardig is aan een demon. Om ons hiervan te overtuigen, stellen in hetgeen nu volgt het beeld voor dat de Joodse mythologie van hem heeft gemaakt en dat overgenomen werd en nog buitensporiger werd gemaakt door de christenen.

Naar de oorspronkelijk Franse tekst van het Hoofdstuck III

Naar Inhoudstafel van Het Christendom ontsluiterd

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2004 Nr 3

Hoofdstuk IV

Mythologie van het Christendom.

Door een moeilijk te begrijpen daad van zijn almacht heeft God het heelal te voorschijn getoverd uit het niets, een wereld die als woonplaats moet dienen voor de mens. Nauwelijks heeft de eerste mens, die hij naar zijn beeld heeft geschapen, het licht gezien of zijn schepper spant hem een valstrik; zonder twijfel wel wetende dat die erin zou trappen. Zijn gezellin wordt verleid door een slang. De vrouw verwondert zich niet dat het dier kan spreken. Zij twijfelt ook niet aan de woorden van de slang en zet haar echtgenoot aan tot het eten van de verboden vrucht. Adam, de vader van de menselijke soort, haalt daarmee, voor hemzelf en voor zijn onschuldig nageslacht, een massa rampen op de hals. Hij wordt samen met al zijn nazaten het voorwerp van de goddelijke woede. Sterfelijk geworden hebben ze ook geen kans meer om daar enige verandering in te brengen. Een geringe overtreding van één enkele mens leidt tot de vervloeking van een heel mensenras. Voor de ongewilde verblinding van één mens wordt de gehele mensheid gestraft met een wereldomvattende zondvloed…

God heeft er spijt van dat hij de wereld heeft bevolkt, maar vindt het gemakkelijker de menselijke soort door verdrinking te vernietigen dan van optie te veranderen. Toch ontsnappen een aantal rechtvaardigen aan die ramp. De ondergelopen aarde en de vernietiging van de menselijke soort volstaan echter niet om zijn onverzoenlijke wraak te stillen. Een nieuw ras verschijnt. Ook al is dit ontstaan uit zijn beschermelingen die hij uit de zondvloed heeft gered, toch ergert hij zich snel weer aan dit nieuwe ras, wegens hun tekortkomingen tegenover hem. De almachtige gelukt er niet in een schepsel te maken zoals hij dat zelf wil. Corruptie maakt zich meester van de nieuwe volkeren, wat de woede van Jehovah nog meer aanwakkert… Eindelijk, partijdig in zijn liefde en zijn voorkeur, krijgt hij een Assyrische bijgelovige in het oog. Hij belooft hem dat zijn ras zo talrijk zal zijn als de sterren aan de hemel of als de zandkorrels aan zee. Het zal altijd kunnen genieten van zijn gunst. Aan dit uitverkoren ras zal hij zijn wil openbaren. Voor dit ras verstoort hij meermaals de natuurlijke orde en vernietigt hij op onrechtvaardige wijze hele naties.

Toch is dit met voorkeur behandelde ras niet gelukkiger en ook niet meer gehecht aan zijn god. Het loopt voortdurend vreemde goden achterna waarvan het de hulp verwacht die het van zijn eigen god blijkbaar niet krijgt. Het beledigt zijn god, die het nochtans op ieder ogenblik zou kunnen uitroeien.

De ene keer wordt het gestraft, de andere keer getroost. Dan weer haat hij het uitverkoren volk om er wat later, zonder enige reden, zielsveel van te houden. Tenslotte, omdat hij er niet in slaagt dit ontaarde volk tot hem terug te brengen, een volk dat hij nochtans koppig blijft liefheben, stuurt hij er zijn eigen zoon naar toe. Maar naar die zoon wordt ook al niet geluisterd. Wat zeg ik ? De geliefde zoon, gelijk aan God de vader, wordt gedood door het volk dat het voorwerp is van zijn koppige liefde. God is zo onmachtig dat hij de menselijke soort niet kan redden, zonder er zijn eigen zoon voor op te offeren. Een onschuldige god wordt zo het slachtoffer van een rechtvaardige god. Beiden aanvaarden dit vreemde offer, noodzakelijk geacht door een god die op voorhand wist, dat dit offer boter aan de galg zou zijn voor het Joodse volk dat in zijn streven en handelen zich door niets laat beïnvloeden. Zal de dood van een god, zonder heil voor Israël, dan ten minste kunnen dienen voor de vergeving van de zonden van de menselijke soort ?

Het eeuwig verbond, plechtig bezegeld door de allerhoogste en meermalen door hem hernieuwd, heeft weliswaar niet kunnen beletten dat het uitverkoren volk uiteindelijk door zijn god verlaten werd. Maar misschien vindt het lijden van de dood van de zoon wel gehoor bij de volkeren die eertijds uitgesloten werden van Gods goedheid. Die hadden zich, door het offer van de zoon, verzoend met de hemel. God is voortaan rechtvaardiger tegenover hen; de menselijke soort is terug in de gunst van God gekomen. Maar ook die inspanningen van de godheid leverden uiteindelijk geen vruchten op. De mensen bleven zondigen en stopten er niet mee de hemelse toorn te prikkelen. Ze zijn het dan wel waard om eeuwig gestraft te worden en voorbestemd om ten onder te gaan.

Dit is de ware geschiedenis van de god waarop de leer van het christendom gevestigd werd. Hoeft het ons te verwonderen, gezien het vreemde, wrede en onredelijke gedrag van de godheid, dat de aanbidders van die god geen enkele idee hebben van plichten, dat ze geen rechtvaardigheid kennen en menselijkheid met de voeten treden ? In hun enthousiasme proberen ze gelijk te worden aan de barbaarse godheid, die ze aanbidden en als model nemen voor hun gedrag. Welke toegeeflijkheid kunnen ze verwachten van een god die zijn eigen zoon niet gespaard heeft ? Welke toegeeflijkheid brengt een christen op voor zijn gelijke die de fabel van het christendom gelooft ? Zal hij niet van mening zijn dat het beste middel om zijn medemens te behagen erin bestaat even meedogenloos te zijn als zijn god ? Zullen de volgelingen zich niet kenmerken door amoreel gedrag door de willekeur van de beginselen waarop die moraal steunt ? Inderdaad, de ene keer schept hij een hele natuur voor de mens, dan weer schijnt hij de mens alleen maar geschapen te hebben om er zijn toorn op uit te oefenen. De andere keer houdt hij van de mens ondanks zijn fouten en dan weer veroordeelt hij het hele mensenras tot verdoemenis; voor een appel! Het gedrag van een onwrikbare god, afwisselend gedreven door liefde en toorn, door wraak en medelijden, door weldadigheid en spijt, kenmerkt zich niet bepaald door wijsheid. Partijdig in zijn gevoel voor het Joodse volk en wreed voor de rest van de menselijke soort, zet hij het geliefde volk aan tot bedrog, diefstal en moord. Hij geeft hen de opdracht zonder enig mededogen de gruwelijkste misdaden te begaan, hun woord ontrouw te zijn en de mensenrechten te minachten. In andere omstandigheden verbiedt hij diezelfde misdaden, gebiedt hij hen rechtvaardigheid en schrijft hij de mensen voor om zich te onthouden van handelingen die de orde in de gemeenschap zouden kunnen verstoren. Deze god, die zich tegelijk de god van wraak noemt, de god van barmhartigheid, de god van legers, de god van vrede, blaast voortdurend warm en koud. Hierdoor zijn de aanbidders van die god de mening toegedaan dat ze meester zijn over hun eigen gedrag. Is het dan verwonderlijk dat de christenen onder elkaar het niet eens zijn over wat God nu eigenlijk zelf wil, dat ze geen toegeeflijkheid tonen tegenover hun gelijken en dat ze hen uitroeien omwille van verschil in mening. Met één woord, het blijft voor hen een probleem om te weten wat het meest aangewezen is : moet men de andersdenkenden afslachten en vermoorden of in vrede laten leven en menselijk behandelen ? De christenen verzuimen echter niet voor hun god op te komen omwille van zijn vreemd en dikwijls onbillijk gedrag, zoals hij dat heeft geopenbaard in zijn geschriften. Deze god, zeggen zij, is absoluut meester over zijn schepselen en mag er dus naar zijn zin over beschikken, zonder dat men hem daarvoor van onrechtvaardigheid mag betichten. Men mag hem geen rekenschap vragen over zijn handelingen, want zijn rechtvaardigheid is niet die van de mensen. De mens heeft niet het recht hem te laken.

Men voelt dadelijk de ontoereikendheid van dit antwoord aan. Inderdaad, door hun god rechtvaardig te noemen hebben ze een idee van die deugd, door te veronderstellen dat de goddelijke rechtvaardigheid gelijkt op de menselijke rechtvaardigheid. Gelijkt de goddelijke rechtvaardigheid echter niet op die der mensen, dan kennen zij hem een hoedanigheid toe waarvan zij totaal geen besef hebben.

Wanneer men ons zegt, dat god zijn schepselen niets verplicht is, laat men uitschijnen dat hij een tiran is die alleen zijn eigen grillen volgt en die dan ook geen model voor gerechtigheid kan zijn. Zo een god heeft geen betrekkingen met ons, gezien alle betrekkingen wederzijds moeten zijn. Wanneer god zijn schepselen niets verplicht is, waarom zouden zij hem dan iets verplicht zijn ? Wanneer, zoals men ons voortdurend herhaalt, dat de mensen met betrekking tot god als klei in de handen van de pottenbakker zijn, dan kunnen er geen betrekkingen bestaan tussen hen en hem. Toch is het op die betrekkingen dat elke religie gevestigd is. Zeggen, dat god zijn schepselen niets verplicht is en dat zijn rechtvaardigheid niet dezelfde is als die van de mensen, ondergraaft de beginselen van maatschappelijke rechtvaardigheid en de geloofspunten van om het even welke religie, vermits daarin veronderstelt wordt, dat god de mensen beloont voor het goede en hen straft voor het slechte.

Men zal natuurlijk niet nalaten ons te zeggen, dat in het leven nadien, de rechtvaardigheid van god zal blijken. In dit leven kunnen we hem dus belist niet rechtvaardig noemen, in een wereld waarin men het met de deugd niet zo nauw neemt en waarin ondeugd heel dikwijls beloond wordt. Wij zullen ook nooit een god rechtvaardig kunnen noemen die, tenminste voor wat dit leven betreft, tijdelijk onrechtvaardigheden toelaat in de veronderstelling, dat hij die ooit wel eens zal rechtzetten. Maar is dit geen goedkope veronderstelling ? Wanneer een god de vrijheid neemt om één moment onrechtvaardig te zijn, waarom vleien we er ons dan mee te geloven dat hij later wel rechtvaardig zal zijn ? Hoe kunnen we trouwens een rechtvaardigheid die de speelbal is van voortdurende tegenspraak in overeenstemming brengen met de standvastigheid van die god ?

Wat gezegd werd over rechtvaardigheid geldt ook voor de goedheid die men hem toeschrijft; beiden zijn deugden waardoor de mensen zich verplicht voelen hem te vereren… Inderdaad, indien deze god almachtig is, als hij de maker van alle dingen is, wanneer er niets gebeurt dan op zijn bevel, hoe kan men hem dan goedheid toeschrijven in een wereld waarin zijn schepselen bloot-gesteld zijn aan rampen, wrede ziekten, fysische en morele omwentelingen ? De mensen kunnen een god alleen maar goed noemen als ze van hem ook goedheid ontvangen. Vanaf het moment dat ze van hem kwaadwilligheid ondervinden is deze god niet goed meer voor hen. De theologen redden de goddelijke goedheid door er op te wijzen, dat hij niet de dader is van het kwade. Dat schrijven ze toe aan een kwaadaardig genus, een idee die ze overgenomen hebben uit de magie. Dat ras is er voortdurend mee bezig de menselijke soort schade te berokkenen en de gunstige bedoelingen die de voorzienigheid voor hen in petto heeft te dwarsbomen. God, zeggen de godsgeleerden, is niet de oorzaak van het kwade maar laat het alleen maar toe. Zien die godsgeleerden dan niet, dat het kwade toelaten hetzelfde is als het kwade begaan; zeker wanneer een almachtige god dat onrecht zou kunnen beletten ? Tenslotte, wanneer de goedheid van god één moment kan geloochend worden, welke zekerheid hebben we dan, dat eens god wel altijd goed zal zijn ? Hoe kan men in het christelijk systeem de goedheid en wijsheid van god in overeenstemming brengen met zijn barbaarse gedrag, met de bloedige bevelen die hij in de heilige boeken heeft geopenbaard ? Hoe kan een christen goedheid toeschrijven aan een god die het grootste gedeelte van zijn schepselen alleen geschapen heeft om ze eeuwig te verdoemen

Men zal ons ongetwijfeld voorhouden, dat het gedrag van God een ondoordringbaar mysterie is, dat we niet het recht hebben naar een verklaring ervoor te zoeken. Onze zwakke rede zou trouwens verloren lopen als we de diepten van de goddelijke wijsheid zouden trachten te doorgronden. We moeten God in alle stilte aanbidden en ons bevend aan zijn orakels onderwerpen : men sluit ons de mond door ons te doen geloven dat de godheid zich aan de mensheid heeft geopenbaard.

Naar de oorspronkelijk Franse tekst van het Hoofdstuck IV

Naar Inhoudstafel van Het Christendom ontsluiterd

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2006 Nr 1