L’Homme n’est malheureux que parce qu’il méconnaît la Nature.
d’Holbach, Préface au Système de la Nature

D’accord ; donne-moi deux minutes pour descendre.

Gedachten bij het heengaan van Henri Debehogne (1928-2007), lid van onze Vereniging

Ik leerde Henri kennen tijdens het eerste colloquium dat ik bijwoonde op de Koninklijke sterrenwacht, april 1968. Hij kwam onmiddellijk naar me toe en heette mij hartelijk welkom. Dat was heel verschillend van de verwelkoming van de directeur, die na mijn aanstelling aan de sterrenwacht een telegram had gestuurd : Gelieve onmiddellijk uw dienst op te nemen. Nu ga ik hier niet mijn leven vertellen, dat kan men als men wil nalezen in de novelle die ik geschreven heb, in 1978, ter gelegenheid van de tiende verjaardag van mijn verblijf aan de sterrenwacht: De geheimzinnige ster, oftewel, tien jaar internering in een wetenschappelijke instelling. Als je zoiets schrijft en het geschrift onder je collega’s verdeelt en het ook nog opstuurt naar een aantal ministers van de Regering, dan hoef je natuurlijk niet meer te rekenen op een snelle carrière. Die interesseerde me sowieso niet, want ik had geopteerd voor nachtelijk werk (waarneming van de sterrenhemel) en dan heb je geen tjid om naar de talrijke recepties te lopen die je weliswaar af en toe een duwtje in de rug kunnen geven. Henri had ook duidelijk niet voor een carrière aan de sterrenwacht geopteerd, want hij vertrok regelmatig naar het buitenland (Chili, Brazilië) om er zijn sterrenkundige waarnemingen uit te voeren. Dat deed hij met bijzonder veel succes, want na een aantal jaren was hij wereldwijd bekend als één der meest succesvolle ontdekkers van kleine planeten. Dat bracht mee dat ik hem nog nauwelijks op de sterrenwacht heb ontmoet.

Een aantal jaren later (tachtiger jaren, ik had me ondertussen gepassioneerd voor de waarneming van kunstmatige satelieten, zag ik hem terug op het plateau van de sterrenwacht. De voorbije nacht had ik de Saljoet-sateliet waargenomen, met de Baker-Nunn camera van de sterrenwacht. Ik vroeg hem of hij me behulpzaam kon zijn met de ontwikkeling van de fotografische platen. Ik had de indruk dat hij dat met een zekere tegenzin deed. Kwam ik te dicht bij zijn discipline, of was hij misschien vermoeid teruggekeerd van één van zijn talrijke zendingen en had hij niet veel lust om al weer direct in de donkerkamer te verdwijnen ? Ik had er toen geen antwoord op. Henri was dus voor een tijdje terug, en kreeg op zijn beurt interesse voor mijn discipline, in dit geval, de fotometrie (lichtintensiteit metingen) van veranderlijke sterren, die hij zou toepassen op de kleine planeten, die om hun as draaien en daardoor, zoals een pulsatiester, lichtveranderingen vertonen. Dat veroorzaakte enige wrevel tussen ons beiden, die graag aangewakkerd werd door een aantal collega’s die het hoofdstuk Acollegiale collegas in mijn novelle nog niet waren vergeten.

Doordat we op de ESO-sterrenwacht (Chili) hetzelfde instrument (40 cm Grand Prisme Objectif) ter beschikking kregen voor onze waarnemingen, gebeurde het regelmatig dat we elkaar in Chili tegenkwamen. Ofwel was hij op de terugtocht naar België en volgde ik hem op aan het instrument, ofwel kruiste ik hem op mijn terugweg van de berg. We waren meestal een tweetal dagen te samen. Ik stond altijd perplex als ik hem bezocht, in de benedenverdieping van de koepel van de GPO, waar hij op een aantal tafels de fotografische platen die hij gedurende zijn zending had gemaakt (tijdens de periode van zijn astrometrisch werk) netjes had opgestapeld. Je telde er soms wel driehonderd. Niemand heeft hem dat ooit nagedaan. Maar de wijze waarop hij die had bekomen was verbluffend. Van mij was bekend dat ik, naar een woord van Professor Underhill in Utrecht, altijd poorly prepared was. Ik vertrok naar Chili en zocht dan wel uit wat ik zou waarnemen; niet helemaal volgens de conventies van het Observing Committee. Henri Debehogne had al maandenlang op voorhand, in een notaboekje, alle velden die hij wilde waarnemen geselecteerd, de coördinaten ervan berekend en de tijdstippen bepaald waarop die moesten worden waargenomen. Het kwam erop neer dat hij, bij het vallen van de nacht al in de koepel zat en zijn eerste veld aan het belichten was (3 x 7 minuten belichting, met tussen de 1-ste en 2-de belichting en de 2-de en 3-de belichting een pauze van 1 minuut, zodat hij juist genoeg tijd had om het veld over enkele boogminuten in hoogte te kunnen verschuiven. Zo ging dat de hele nacht door. Een hels programma dus; maar het heeft hem wel individueel meer dan 700 nieuwe kleine planeten opgeleverd. Verschillende heeft hij een toepasselijke benaming gegeven (Ambiorix, Meuse, Namur, Ciney (van de beestenmarkt), Maillen (zijn geboortedorp in de Ardennen), en nog vele andere.

Henri had echter met zijn succesvolle waarneming, vanaf 1978, een hele groep waarnemers wakker geschud. De discipline van de ontdekking van kleine planeten had er jaren jaren zieltogend bijgelegen. De laatste grotere programma’s waren die uit de jaren 1960 en 1970 geweest (Het team Van Houten in Leiden samen met hun landgenoot T. Gehrels op Mount Palomar). Nadien bleek dat niemand meer, op enkele uitzonderingen na, interesse betoonde voor het gesteente tussen de banen van Mars en Jupiter. Succes vindt altijd navolging. Plotseling begonnen verschillende sterrenwachten opnieuw kleine planeten waar te nemen. Eind december 1986, bevond ik mij aan de Rozhen sterrenwacht in het Rhodopegebergte (Bulgarije). Die hadden de Potsdammer 50cm Schmidttelescoop in één van hun koepels opgesteld. Ik kon niet aan de verleiding weerstaan een juweeltje van een telescoop onberoerd te laten. Op mijn terugreis naar België had ik dan ook een aantal fotografische platen in mijn koffer en was ik op het jachtterrein van de kleine planeten beland. Ukkel had er een planetenjager bijgekregen. Ik geef grif toe dat Henri nooit enig bezwaar heeft gemaakt. Onafhankelijk van elkaar hebben we tot meerdere glorie van de sterrenwacht vele planeten aan de hemel verschalkt.

Maar leuke dingen duren meestal niet lang. Op 31 december 1993 verliet Henri de sterrenwacht van Ukkel. Hij ging met pension. Hij liet me nog een aantal fotografische platen na, die hij had gemaakt met de 1m ESO-Schmidt, want het was niet meer mogelijk geweest om die nog uit te meten. Op sommige platen had hij tot driehondered cirkeltjes getekend en genummerd om aan te duiden dat daar wel een planeetje zat. Ik had er dan ook weinig moeite mee om die platen uit te meten. Henri insisteerde dat we de oogst gezamenlijk zouden delen -tot hiertoe een opbrengst van een zestigtal nieuwe planeten…

Nadien zagen we elkaar af en toe wel eens terug, op het plateau, in de gang van de hal van de sterrenwacht of bij de kamerbewaarder waar hij zijn post ging ophalen. Het viel me op dat hij er erg vermoeid uit zag. Ik had hem opgevolgd als hoofd van het departement (we hadden beiden dan toch carrière gemaakt) en had daarmee meerdere instrumenten ter beschikking voor de waarneming. In 1996 installeerde mijn jongere collega, Thierry Pauwels, derde generatie van planeetjagers in Ukkel, een CCD-camera in het focusvlak van de de 85cm Ukkel-Schmidt telescoop. Daarmee konden we weer wat zinvoller waarnemen, want met de lichtpollutie in de buurt van de sterrenwacht (als gevolg van de nabijheid van de stad Brussel) was met fotografische middelen niet veel meer te bereiken. De jacht op kleine planeten nam daarmee een nieuw begin, waar sterrenkundigen, Arend en Delporte, noodgedwongen in de jaren eind vijftig en zestig met de waarneming hadden moesten ophouden

Ik vroeg hem bij één van die gelegenheden of hij zin had om nog eens af en toe te komen waarnemen. Hij was slecht te been en ik zou hem gaan ophalen, aan zijn appartement (Rue Cavell), in de buurt van de sterrenwacht. Daarmee brak een periode aan waar ik met veel genoegen aan terug denk. In het begin kwam hij met zijn wagen, wachtte geduldig totdat ik het hekken aan de ingang van de sterrenwacht kwam openen en begaf zich onmiddellijk naar de telescoop, waar ik een lijstje had klaargelegd van de velden die we zouden gaan waarnemen. Hij bleef de hele nacht aan het instrument gekluisterd en met moeite kon ik hem overtuigen om een koffietje te komen drinken, want hij wilde geen tijd verliezen (of beter, hij wilde geen planeet verliezen) en ik bracht hem dan maar op tijd en stond een koffie met wat bruin brood. Het viel me op dat hij heel wat beter liep. En na enkele weken had hij helemaal geen last meer van zijn benen. We hebben een enorme tijd met elkaar beleefd, want Herni was aangenaam gezelschap met een ontzettend groot gevoel voor humor (zie Cuistre#3, 2003, p 45-46). En je kon altijd op hem rekenen. Het gebeurde zelfs dat ik nog om 1 uur ‘s nachts aan zijn appartement stond en hem vroeg of hij mee naar de sterrenwacht wilde gaan. Zijn antwoord was steeds daarop: “d’accord, donne-moi deux minutes pour descendre”. De astrometrie die hij uit zijn waarnemingen haalde was van de hoogste nauwkeurigheid. Brian Marsden, directeur van het Minor Planet Center in Massachusetts, loofde Henri daarvoor regelmatig: It is a real pleasure to work with your observations.


BegrafenisHenri0.jpg
Illustratie: Philip de Jager

Henri stierf op 6 december jl. en ik besefte dat ik een vriend verloren had. We zijn hem gaan begraven op 13 december, op het kerkhof in Maillen, in de familiekelder naast zijn broertje, zijn vader en zijn moeder. We waren niet met zoveel en zoals dat meestal gaat bij een begrafenis was er heel veel hilariteit. Het bleek dat zijn neef begrafenisondernemer was, en die had een tweetal helpers meegebracht. Maar die waren plotseling spoorloos verdwenen. Dan maar de kist voor een tijdje vóór het open graf op de grond gezet. Iedereen had wel één of andere anekdote over hem te vertellen; over zijn talrijke reizen naar het verre Tomsk in Siberië, beladen met geschenken voor zijn Russische vrienden -men noemde hem daar al gauw Mr Debelgogne-, over een dramatische gebeurtenisis in Chili waar blijkbaar op hem werd geschoten, over een tandarts die voor één of andere reden hem niet meer wilde verzorgen. Maar niemand, vertelde dat hij jarenlang zijn vrouw en haar vriendin had verzorgd in het appartement te Ukkel, als die bedlegerig werden en niemand naar hen omkeek. Begrijpelijk dat Henri me dankbaar was dat ik hem eventjes aan die sleur kon onttrekken en met hem ging waarnemen. Maar het was dikwijls wel moeilijk om hem terug naar zijn appartement te krijgen. Tussen twee waarnemingen in kwam hij steeds weer opnieuw naar het kleine bureautje, dat directeur Paul Pâquet me vriendelijkerwijze ter beschikking had gesteld en waar ik het verloop van de waarnemingen op het schermpje van mijn laptop volgde, om de coördinaten van een nieuw waarnemingsveld te vragen.

Eindelijk had men dan toch de kist al voor de helft in de familiekelder kunnen schuiven, maar die helde nu vervaarlijk naar beneden. Stelde ik het me voor, maar meende ik nu niet te horen: “d’accord, donne-moi deux minutes pour descendre”.

Eric W. Elst.