L’Homme n’est malheureux que parce qu’il méconnaît la Nature.
d’Holbach, Préface au Système de la Nature

Diderot, een atheïst in de ware zin van het woord

Ware atheïsten zijn er in heden en verleden niet zo talrijk te vinden, maar de figuur van Denis Diderot is zo bijzonder, dat we met hem een atheïst kunnen voorstellen waarbij ruimschoots kwantiteit door kwaliteit wordt vergoed.

diderot_langres.jpg
Standbeeld van Diderot in zijn geboortestad Langres

Denis Diderot werd geboren op 5 oktober 1713 te Langres, nabij de stad Dijon (Frankrijk). Reeds op 22 augustus 1726 ontvangt hij de tonsuur uit de handen van de bisschop van Langres. Hieruit mogen we besluiten dat hij door zijn ouders, Didier Diderot en Angélique Vigneron, voorbestemd werd voor een loopbaan als priester. Vanaf 1728 vervolgt hij zijn studies filosofie en theologie aan het “Collège d’Harcourt” te Parijs en beëindigt deze, negentien jaar oud (1732) op schitterende wijze aan de Universiteit van Parijs, met het diploma van maitre ès arts [1]. Nadien vindt men hem terug, gedurende meer dan tien jaar, in de zogenaamde schrijver-cafés zoals de Procope te Parijs, waar hij kennis maakt met Voltaire, Buffon en d’Alembert. Hij voorziet in zijn eerste onderhoud, door het geven van lessen wiskunde, waarvoor hij eigenlijk geen specifieke opleiding heeft genoten, en het schrijven van teksten voor redenaars die zelf hiervoor niet competent genoeg zijn. In september 1741 maakt hij aanstalten in de orde van Saint-Sulpice te treden, maar in augustus 1742 ontmoet hij Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), en ziet definitief af van een loopbaan in de clerus.

In 1743, tijdens een bezoek aan zijn ouders in Langres, deelt hij hen mee, dat hij van plan is de linnenwerkster Antoinette Champion te huwen. Daarop laat de familie hem prompt interneren in een klooster, niet ver van de stad Troyes, in het departement van de Aube. Hij kan echter ontsnappen en vlucht naar Parijs.

Diderot zal zich in het begin toeleggen op het vertalen van wetenschappelijke werken, zoals de vertaling uit het Engels van het genees- en heelkundig woordenboek van Robert James. Op 21 januari 1746 verkrijgt hij de toelating zelf een encyclopedie op te stellen, naar het Engelse voorbeeld van Chambers en Harris. In april van hetzelfde jaar schrijft hij zijn Filosofische gedachten, een van zijn eerste werken. Deze worden vanaf juni daaropvolgend verspreid en op 7 juli al veroordeeld tot vernietiging (à la brûlure). Begin Juni 1749 verschijnt zijn “Brief over de Blinden” (Lettre sur les aveugles, à l’usage de ceux qui voient). Hiervoor wordt hij een maand nadien aangehouden en opgesloten voor meer dan 3 maanden in de gevangenis van Vincennes.

In juni 1751 verschijnt het eerste deel van zijn beruchte “Encyclopédie : Dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers” [2]. Vanaf dat ogenblik volgen de verschillende delen elkaar regelmatig op. Dit gebeurt niet zonder moeilijkheden, want men probeert keer op keer de publikatie te belemmeren [3].
Omstreeks november 1757 eindigt de vriendschap tussen Denis Diderot en Jean-Jacques Rousseau [4] vrij abrupt.

In 1749 had de Academie van Dijon een prijsvraag uitgeschreven om de invloed van de vooruitgang van wetenschap en kunst op de zedelijkheid te onderzoeken : “Si le progrès des sciences et des arts a contribué à corrompre ou à épurer les mœurs ? ” Rousseau [4] had met enthousiasme hierop gereageerd en zijn antwoord was bekroond geworden. Hiervoor had hij een taal gebruikt die gekleurd werd door irrationaliteit, transcedentie en emotionaliteit; niet bepaald een wijze van denken die de goedkeuring van een Diderot kon wegdragen. Montesquieu, Voltaire, Diderot, d’Alembert, m.a.w, de Encyclopedisten [5] opteerden immers voor rationeel taalgebruik, daarbij verrijkt met de vernieuwde inzichten over wetenschap, zedenleer en intellect. De keuze van Rousseau, pamfletterend tegen de vooruitgang van wetenschappen en kunsten, kon Diderot, in het begin, nog wel interesseren, omdat ze niet strookte met de toenmalige mening, en vooral omdat ze tegen zijn eigen overtuiging indruiste. Nadenken over een gedachte die men eigenlijk zelf niet voorstaat, houdt immers een garantie in tegen dogmatisme. Diderot ging daarom graag op zo'n uitdaging in, weliswaar met het risico van een gedachtenkrisis, van een versnippering van ideeën of met de mogelijkheid helemaal geen antwoord te vinden. Op de duur echter, als hun werelden teveel uit elkaar waren gegroeid, moest het wel noodzakelijkerwijze, tot een definitieve verwijdering tussen Rousseau en Diderot komen.

jjrousseau_latour.jpg
J-J. Rousseau door Q. de La Tour (Public domain)

Jean-Jacques Rousseau verwierf in 1750 bekendheid door het beantwoorden van de vraag die gesteld werd door de Academie van Dijon : “Of de vooruitgang van wetenschap en techniek geen gevaar inhoudt voor zedenverloedering ?”. Zijn antwoord hierop werd bekroond. Nadien verscheen zijn “Verhandeling omtrent de ongelijkheid tussen de mensen” (1754), zijn reactie op een wedstrijd die eveneens door de Academie van Dijon was uitgeschreven, maar evenwel niet werd bekroond.

De werken van Rousseau zijn een tegenpool van de filosofie die de Encyclopedie voorhoudt. De encyclopedisten geloven in de vooruitgang van de mensheid. Ze zijn ervan overtuigd dat deze vooruitgang te danken is aan haar intelligentie, door het gebruik van de rede, die zich verwerkelijkt in wetenschap en techniek. Rousseau daarentegen gelooft dat de mens alleen maar gelukkig kan zijn, wanneer deze zonder zorgen leeft, een utopie die volgens hem verwezenlijkt kan worden door te gaan samenwonen in kleinere gemeenschappen, waar eenieder alleenlijk de zorgen heeft voor het dagelijkse leven en zich gesteund voelt door familiale gevoelens.

Rousseau had de aankondiging van de betreffende prijsvraag in het dagblad “Le Mercure de France” gelezen (hij was op weg naar de gevangenis van Vincennes om Diderot te gaan bezoeken). Hij vertelt daarover in zijn “Confessions“, livre VIII :

“De zomer van 1749 was bijzonder heet. De afstand tussen Parijs en Vincennes bedraagt nagenoeg twee mijl. Daar ik geen geld had om een koets te betalen, begaf ik mij omstreeks twee uur in de namiddag, te voet op weg. Ik versnelde mijn pas om vroeg aan te komen. De bomen langs de weg, zoals altijd, gesnoeid volgens de mode van het land, gaven nauwelijks schaduw. Benomen door de warmte en de vermoeidheid moest ik me dikwijls langs de kant neerleggen. Daarom besloot ik het een beetje kalmer aan te doen en begon mijn krant, die ik die dag had gekocht, te lezen. Op het ogenblik dat ik de aankondiging van de prijsvraag zag, ging er voor mij een nieuw universum open en werd ik van het ene op het andere ogenblik een nieuwe mens. Bij mijn aankomst in Vincennes was ik zo opgewonden als in een delirium. Mijn gehele verdere leven zou getekend worden door dit ene ogenblik van zinsverbijstering.”

In 1762 stelt Catherina II aan Diderot voor om de Encyclopedie in Rusland te laten drukken. Hij gaat echter niet in op dit voorstel. Op 26 maart 1765 koopt Catherina II de persoonlijke bibliotheek van Diderot op, waarschijnlijk om hem in de gelegenheid te stellen wat geld te bekomen, met de uitdrukkelijke belofte dat Diderot gedurende zijn gehele leven hierover mag blijven beschikken. In december van datzelfde jaar zijn de 17 delen van de Encyclopedie volledig klaar, geredigeerd en gedrukt. De verspreiding ervan kan beginnen. De 10 laatste delen mogen echter niet in Parijs en omgeving verkocht worden.

Zoals reeds hoger vermeld schreef Diderot in 1746 zijn “Filosofische gedachten”. Een jaar voordien had hij een vertaling uitgeven van een werk van Shaftesbury [6]: “Tractaat over de verdienste en de deugd”. Over dit werk van de bekende Engelse deïst was hij vol lof, en weliswaar om de volgende redenen: hierin werd duidelijk gepleit voor een deïstische visie van het universum, de wereld heeft betekenis, de rationele orde wijst naar een goddelijke oorsprong, een visie die dus in schril kontrast staat met de atheïstische visie waarin geen plaats is voor een godsgedachte. Van de andere kant werd in het werk komaf gemaakt met alle volksgeloof dat eens en voor altijd met bijgeloof wordt gekarakteriseerd. We hebben hier nog te doen met de deïst Diderot. Dat hoeft ons niet te verwonderen want zijn evolutie van deïst naar atheïst voltrekt zich naargelang zijn inzicht in wetenschappen en techniek groeit, door zijn alomvattende taak met het tot stand komen van de Encyclopedie.

De “Filosofische gedachten” zijn dan ook nog in een geest van deïsme geformuleerd geworden, waarbij hij het idee voorhoudt dat bijgeloof een grotere belediging aan God inhoudt dan een atheïstische levenshouding, iets wat Francis Bacon (1561-1626) veel eerder ook al had gezegd. Met de ontdekking van de Wet van de Zwaartekracht (1660) door Isaac Newton kon het gehele heelal, i.h.b. de bewegingen van de planeten in het zonnestelsel, worden verklaard. De weg opende zich voor een alomvattend deïsme, waar geen plaats was voor atheïsme.

De “Filosofische gedachten” zijn een verzameling aforismen waarin duidelijk geopteerd wordt voor een meer kritische benadering van het kristelijke geloof. Diderot kent immers de clandestiene literatuur waarin de canon van het Nieuwe Testament wordt bekritiseerd, waarin de bedrieglijkheid van de heilige legenden wordt aangeklaagd en waarin aangetoond wordt dat de historische bewijzen waarop de traditionele apologetica -verdediginsleer van het geloof- steunt onvoldoende zijn. Ook wordt er in dit werk gepleit voor de legitimiteit en noodzakelijkheid van passies :

“Zonder ophouden wordt er gemanifesteerd tegen de passie. Men schrijft haar al de ellende toe van de mensheid, maar men vergeet dat zij ook de bron is van alle vreugden... Men denkt onrecht aan de rede te doen, wanneer men haar bewierrookt. Maar is het niet juist de passie, de grote passie, die de ziel kan verheffen tot grote verwezelijkingen. Zonder haar geen pracht meer, zowel in het gedrag als in het werk; de schone kunsten vervallen tot primitiviteit en de deugd wordt kleinlijk.“ (Filosofische Gedachten I)

Het betreft hier echter geen persoonlijke visie van Diderot, want hij wordt hierin voorafgegaan door vele Franse en Engelse deïsten zoals Lévesque de Pouilly en Shaftesbury. Werken zoals de “Filosofische gedachten” bleven meestal, in die tijd, manuscripten, d.w.z, ze werden gekopieerd en in het geheim verkocht. Doordat zijn vriendin de Puisieux hem geld had gevraagd, besloot Diderot nochtans het werk te publiceren. Dat was een onvoorzichtigheid, want op 7 juli 1746 moet op bevel van het Parijse parlement het werk verbrand worden. Reden hiervan was, dat hierin alle religies op dezelfde voet worden behandeld, waaruit men zou kunnen afleiden dat men er dan geen enkele behoeft.

Natuurlijk, uitspraken doen zoals de volgende, is moeilijkheden zoeken :

“De gedachten dat er geen god is heeft nog geen enkele mens bang gemaakt, maar dat er wel een zou zijn heeft menigeen bevreesd.” (F.G. IV)

“Pascal is een elegant schrijver en een diepzinnig denker. Hij zou zeker met zijn gedachten het heelal verlicht hebben als de Voorzienigheid hem niet had opgeëist om zijn talenten te gebruiken voor hatelijkheden.” (F.G. XIV)

“Ik zeg u, er bestaat geen god; de schepping is een nachtmerrie. Een eeuwige wereld is al even mogelijk als een eeuwige geest, want ik zie niet in hoe beweging dit heelal in gang heeft kunnen zetten. Als het wonderbaarlijke van de fysieke orde in het heelal, het bestaan van een intelligentie zou moeten verraden, dan wordt de idee van Voorzienigheid op haar beurt te niet gedaan door de chaos die in de morele orde heerst. Als men de zonde moet toelaten om beter de glans van de deugd te laten uitschijnen, dan biedt dat toch maar een klein voordeel op zoveel gebreken.” (F.G. XV)

“Wat is god ? Een vraag die men aan kinderen stelt en waarop filosofen nauwelijks kunnen op antwoorden. Men weet op welke leeftijd een kind moet leren lezen, leren zingen, latijn leren en geometrie. Maar op het vlak van godsdienst gaat dat anders. Het kind kan nog maar nauwelijks horen of men vraagt het al : Wat is god ? En op datzelfde ogenblik leert het uit dezelfde mond wat geesten zijn, spoken en weerwolven. Men prent het één van de belangrijkste waarheden in het hoofd, op een wijze dat het later aan zijn eigen verstand gaat twijfelen.” (F.G. XXV)

“Een geheel volk, zegt ge, was getuige van die gebeurtenis; hoe kunt ge dat dan nog negeren ? Ja, ik durf dat, zolang dit feit niet bevestigd wordt door een autoriteit die niet van uw partij is. Ik geloof zonder moeite een persoon die me komt vertellen dat die of die generaal een overwinning heeft behaald; maar als geheel Parijs me komt vertellen dat er een dode is opgestaan met Pasen, dan geloof ik het niet.” (F.G. XLVI)

De “Brief over de Blinden” werd op 9 juni 1749 te Parijs in het geheim gepubliceerd. Het werk heeft de vorm van een wetenschappelijk relaas : de geleerde Réaumur wil door een heelkundig ingrijpen, een jong meisje dat blind geboren is, van haar blindheid genezen (cataract-grijze staaroperatie).

Naar het resultaat van deze operatie wordt met belangstelling uitgezien, niet alleen door geneesheren, maar ook door metafisici en filosofen. Hoe vat een persoon, die één van zijn zintuigen moet missen de wereld op; en in dit bijzondere geval, hoe vat een blind persoon de wereld op. Hoe vormt hij zijn ideeën, en hoe zullen die gewijzigd worden, wanneer hij voor het eerst met de natuur geconfronteerd wordt. Met behulp van de patiënte van Réaumur zal men ook de gelegenheid hebben om experimenteel de juistheid of verkeerdelijkheid van de opvattingen van de moralisten, met hun uiteenlopende menigen, te verifiëren. Diderot vraagt dus aan Réaumur de toelating aanwezig te mogen zijn, wanneer het verband van het jonge meisje zal weggenomen worden en zij voor de eerste keer zal kunnen zien. Réaumur weigert dit echter. Diderot verwijt hem hierop, dat de geleerde het doek wil laten vallen vóór enkele ogen, die er geen gevolgtrekkingen uit zullen maken.

De opzet van de brief is zeker niet onschuldig. Diderot slaagt er echter in vorm en toon zo te houden alsof dit het relaas is van een geleerde-psycholoog. Daarbij is de kennis die Diderot aan de dag legt over blindheid indrukwekkend. Hij blijkt alles gelezen te hebben over optica, maar ook over de fysiologie van het zicht en de kennistheorie. Zo heeft hij o.a. het werk van Condillac [7] : “Essai sur l'origine des connaissances humaines” (1746) gelezen. Daarbij stelt hij zeer geschikt het probleem voor waarom het hem eigenlijk te doen is :

“Onze ideeën over god, over goed en kwaad, zijn ze absoluut of zijn ze afhankelijk van onze zintuigen; in het laatste geval zouden het dan relatieve waarheden zijn ? Als volgens de theologie het beste bewijs van het bestaan van god gevonden wordt, in de harmonie en de schoonheid van de schepping, wat betekent zo een bewijs dan voor een blinde? En wat voor een god is dat die aan enkele van zijn schepsels de mogelijkheid ontneemt in hem te geloven ?”

Op een aangename en onderhoudende toon voert Diderot de lezer met zich mee op excursie, naar twijfelachtige waarnemingen, beschrijvingen die in vraag kunnen gesteld worden, algebraïsche onderzoekingen en geneeskundige uiteenzettingen. Het hoeft ons ook niet te verwonderen dat hij daarbij af en toe een "gevaarlijk punt" aanraakt. Op het ogenblik van de “Pensées philosophiques” is Diderot nog deïst, vrijdenker op het moment van de “La Promenade du sceptique” ; met zijn “Lettre sur les aveugles” worden echter de eerste schreden gemaakt naar een atheïstische-materialistische levenshouding. Weliswaar zijn het niet zijn woorden, die hij in de mond plaatst van de blinde wiskundige Saunderson, op zijn doodsbed : Als ge wilt dat ik in god geloof, dan moet ik hem kunnen aanraken, maar ze tonen duidelijk de richting waarvoor Diderot vanaf dat ogenblik kiest. Diderot laat zich hierin volledig leiden door het sensualisme van John Locke en Condillat. Onze geest kan alleen maar iets kennen dat voortkomt uit de getuigenis van onze zinnen. Er is geen waarheid, dan deze die volgt uit de waarneming. Maar Diderot gaat verder en breidt het sensualisme uit tot het domein van de moraal en de metafisica. Als er geen ingeboren waarheid bestaat, dan heeft men er geen voordeel aan te geloven in een geopenbaarde waarheid, dan heeft men er geen voordeel aan een politiek systeem op te richten dat steunt op traditie of op goddelijk recht. Tesamen met de belangrijke inleiding op de Encyclopédie van d’Alembert, is de “Lettre sur les aveugles” een eerste manifest van de encyclopedische revolutie (Pierre Lepape, 1991). Dat wil echter niet zeggen dat Diderot zich op dat ogenblik bekeert tot een nieuwe filosofie. Zijn ideeën zijn immers het resultaat van zijn eigen intellectuele experimenten en reflecties. Die evolutie heeft zich niet voltrokken volgens openbaringen, maar wel door het rijpen van zijn eigen geest, door de waarneming van de natuur en de practische beoefening van de wetenschappen.

“Zoals de vader van Diderot met geduld, ervaring en handigheid, zijn messen ten behoeve van de chirurgie smeedde, zo ontwierp Denis Diderot, met vallen en opstaan, met studies en reflecties, het gereedschap dat hem het meest geschikt leek voor zijn taak : het zoeken naar de waarheid.” (Pierre Lepape, 1991)

Referenties :

  • Diderot “Lettre sur les aveugles, à l’usage de ceux qui voient”, GF-Flammarion (1972).
  • Diderot “Pensées philosophiques”, GF-Flammarion (1972)
  • Pierre Lepape “Diderot", Champs, Flammarion (1991).
  • Jean Jacques Rousseau “Discours sur les sciences et les arts”,
  • Jean Jacques Rousseau “Confessions”

Voetnoten :

  1. Deze graad komt overeen met een licenciaat.
  2. Alhoewel die Encyclopedie een vertaling en herwerking was van het werk van Chambers en Harris, zal het Franse tegenstuk, de Encyclopédie, in samenwerking met d’Alembert, uitgroeien tot een geheel nieuw en oorspronkelijk werk.
  3. Op 7 februari 1752 verbiedt een gerechtelijk besluit het verspreiden van de twee eerste delen van de Encyclopédie.
  4. Jean-Jacques Rousseau (Genève 1712 - Parijs 1778) verwierf bekendheid door het beantwoorden van de vraag die gesteld werd door de Academie van Dijon: Of de vooruitgang van de wetenschap en techniek geen gevaar inhoudt voor zedenverloedering (1750). Zijn antwoord hierop werd bekroond. Nadien verscheen zijn Verhandeling omtrent de ongelijkheid tussen de mensen (1754), zijn reaktie op een wedstrijd die insgelijks door de Akademie van Dijon werd uitgeschreven, maar desalniettemin niet bekroond werd. De werken van Rousseau zijn als het ware een tegenpool van de filosofie die de Encyclopedie voorhoudt. De encyclopedisten geloven in de vooruitgang van de mensheid, zoals dit zo groots werd verwoord door Condorcet (1743-1794) in zijn Esquisse d’un tableau historique des progrès de l’esprit humain. Ze zijn ervan overtuigd dat deze vooruitgang te danken is aan haar intelligentie door het gebruik van de rede, die zich openbaart in wetenschap en techniek. Rousseau daarentegen gelooft dat de mens alleen maar gelukkig kan zijn, wanneer deze zonder zorgen leeft, een utopie die volgens hem verwezenlijkt kan worden door het gaan samenwonen in kleinere gemeenschappen waar eenieder alleenlijk de zorgen heeft voor het dagelijkse leven en zich daarbij gesteund voelt door familiale gevoelens.
  5. In strengere zin zijn alleen Rousseau (1712), Diderot (1713), Helvétius (1715), d’Alembert (1717), d’Holbach (1723) en de Jaucourt (1704) encyclopedisten. Zij voerden een nog steeds niet beëindigde strijd tegen traditie, bekrompenheid, domheid, onwetenheid, politiek en geestelijk totalitarisme (Systematische Encyclopedie, Bordas, Deel 8, p.100).
  6. Shaftesbury maakt geen onderscheid tussen bijgeloof en gevestigde godsdiensten.
  7. Etienne Bonnot de Condillac, Frans filosoof (1715-1780). In zijn Essai sur l’origine des connaissances humaines (1746) bouwt hij verder op de doctrine van Locke: er zijn twee bronnen die ons kennis kunnen verschaffen, de waarneming en de reflectie. In zijn tweede belangrijkste werk Traité des sensations (1754) opteert hij uiteindelijk nog slechts voor de waarneming, als bron van alle kennis. Hij is verder bekend voor zijn La langue des calculs, dat posthuum gepubliceerd werd.

Naar Inhoudstafel van Le Petit Cuistre 2002 Nr 2